Affectieschade blijft beperkt tot wettelijke kring van gerechtigden
Uitspraak: 6 oktober 2026
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
In deze strafzaak oordeelt het hof dat bewezen is dat de verdachte zich samen met een medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval, waardoor het slachtoffer is overleden.
Kort vóór het ongeval hielden de verdachte en zijn medeverdachte een straatrace en reden zij met zeer hoge snelheid door een rood verkeerslicht. Het voertuig van de medeverdachte kwam vervolgens in botsing met dat van het slachtoffer. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden.
Ten aanzien van de gevorderde vergoedingen van immateriële schade in de vorm van affectieschade oordeelt het hof, in lijn met de Wet affectieschade, dat de vader en moeder van het overleden slachtoffer tot de kring van gerechtigden behoren en daarom aanspraak kunnen maken op een vergoeding.
Met betrekking tot de door de zussen van het slachtoffer gevorderde affectieschade sluit het hof bij de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 onder g BW nauw aan bij de bedoeling van de wetgever. Het hof oordeelt dat, ondanks de zeer hechte band tussen de zussen en het slachtoffer, geen sprake is van de uitzonderlijke omstandigheden die vereist zijn om buiten de wettelijk beperkte kring van gerechtigden aanspraak op affectieschade toe te kennen. Om die reden worden de vorderingen van de zussen niet-ontvankelijk verklaard.
Lees meer