Op deze pagina is ook content beschikbaar exclusief voor leden, Log in om toegang te krijgen tot deze content

Bestaat het risico op (hyper)inflatie? Deel 1

Overheden voeren grootscheepse steunprogramma’s uit voor bedrijven en werknemers in coronatijd. Zouden die tot (hyper)inflatie kunnen leiden? In deze drieluik sta ik stil bij de gevolgen van de overheidsmaateregelen voor de economie, in het bijzonder voor de burger.

Op dit moment heeft de ECB de geldkraan helemaal open staan. Daardoor kunnen ook banken ondernemingen ondersteunen met kredieten. Er wordt dus volop geld geschapen. Tegelijkertijd staan veel bedrijven nagenoeg stil, maar worden door overheden overeind gehouden. Deze bedrijven produceren bijna tot geen goederen. De huidige steunmaatregelen om economieën te ondersteunen, kunnen dus in principe tot inflatie leiden. Inflatie is immers – eenvoudig gezegd – dat er tegenover dezelfde hoeveelheid goederen in de economie ineens meer geld komt te staan.

Hyperinflatie

Eerst maar even stilstaan bij het woordje ‘hyper’. Hyperinflatie betekent dat de prijzen veel sneller stijgen dan gewoonlijk, eerder per dag dan per jaar. Anders gezegd: uitgedrukt in euro’s stijgen de prijzen sterker voor dezelfde goederen dan bijvoorbeeld de Zwitserse Frank, het Britse Pond of de Amerikaanse Dollar. Bekende voorbeelden van hyperinflatie zijn het Duitsland van 1921-23, Zimbabwe in 2007-2015 en Venezuela van 2016 tot heden. De consequenties van hyperinflatie voor het gewone leven zijn prachtig beschreven door Sebastian Haffner in zijn Het verhaal van een Duitser, 1914-1933.

Astronomische bedragen 

Nu omvat het Asset Purchasing Programme (APP) van de ECB astronomische bedragen. Op de ECB-balans staat momenteel € 2.850.000.000.000 (2,8 biljoen) aan effecten van eurozone inwoners. De centrale banken van de meeste landen in de wereld voeren soortgelijke programma’s uit. Een biljoen is een 1 met twaalf(!) nullen. Wij vinden een miljard al veel – dat is een 1 met 9 nullen. Dus het is niet zo gek dat mensen op grond daarvan hyperinflatie vrezen. Tegelijkertijd is de Europese economie ruim 15 biljoen groot. Daarmee vergeleken valt het APP dus nog wel mee.

Aankopen van activa

Voor hyperinflatie hoeft niemand bang te zijn. De Bank of Japan doet al veel langer dan de ECB, namelijk sedert de jaren negentig van de vorige eeuw, aan kwantitatieve verruiming (“quantitative easing" of QE), het aankopen van activa. Deze activa-aankopen hebben als doel de economische groei te ondersteunen en terug te keren naar een acceptabel inflatieniveau (in de EU-zone dicht bij 2%). In Japan beweegt de inflatie zich sinds die tijd rond de nul procent. Maar als hyperinflatie geen groot risico is, hoe zit het dan met gewone inflatiestijging ?

Het korte antwoord is, dat als de massale steunprogramma’s aan de verkeerde (consumptieve) dingen worden besteed, dat tot inflatie zou kunnen leiden. Zeker als de ECB niet zou ingrijpen. En als het aan consumptieve zaken wordt besteed en niet aan bijvoorbeeld onderwijs en infrastructuur. Maar economen weten dat niet zeker. Waarom is dat?  

Voor het antwoord op die vraag moeten we beginnen bij de vraag hoe inflatie wordt gemeten. Dus: hoe worden veranderingen in het prijspeil en in geldhoeveelheid gemeten?

Hoe meet men veranderingen in het prijspeil?

Veranderingen in het prijspeil worden door DNB en de ECB gemeten aan de hand van een mandje consumptieprijzen. In dit mandje zitten bij het CBS onder andere dagelijkse boodschappen, duurzame consumptie­goederen zoals wasmachines en auto’s, huur, school- en collegegeld en consumptie-gebonden belastingen zoals onroerende­zaakbelasting (OZB) en motorrijtuigenbelasting. In het ECB-mandje voor inflatie ontbreken in vergelijking met het CBS de huurwaarde (= de economische waarde van het wonen in een eigen huis), de consumptie-gebonden belastingen en contributies aan sportverenigingen, maatschappelijke organisaties etc.

Vanuit het gezichtspunt van de burger valt er nog wel wat af te dingen op deze wijze van meten van inflatie. Het CBS en de ECB wegen allebei de veranderingen in inkomstenbelasting, sociale premies en uitgaven voor verzekerde medische zorg, subsidies, BTW en accijnzen niet mee. De bijdrage van ouders aan het onderwijs van hun kinderen en infrastructuur (tolwegen) zit ook niet in de inflatie-index. Huur zit er bij het CBS wel in maar de hypotheeklasten weer niet. En zowel het CBS als de ECB wegen ook de huizenprijzen en koersen van aandelenbeleggingen niet in hun berekeningen. Maar de burger betaalt er wel de rekening voor uit zijn of haar (gewoonlijk niet meestijgende) inkomsten.

Geen recent mandje

Daarnaast stellen het CBS en de ECB hun mandje met goederen en diensten vast basis van het uitgavenpatroon van huishoudens in het jaar 2000. Het CBS heeft zijn weging (maar niet de samenstelling van categorieën producten/diensten)  voor het laatst in 2014 aangepast. Of de ECB ook een aanpassing heeft gedaan, is niet terug te vinden. Het is dus maar de vraag of het huidige mandje met dagelijkse uitgaven van consumenten, wel het juiste beeld geeft, omdat nieuwe technologische ontwikkelingen (denk aan smart phones en iPads) er geen onderdeel van uitmaken.

Gevoelsinflatie

De autoriteiten proberen deze kritiek op de inflatiecijfers te pareren door introductie van het begrip gevoelsinflatie. Zoals ook de luchttemperatuur voor de mens hoger lijkt als het minder hard waait of als de lucht vochtiger is, zo kan de inflatie ook hoger “aanvoelen” voor de consument, dan hij volgens de autoriteiten is. Gevoelsinflatie is van belang omdat het de inflatie zelf kan aanwakkeren. Wanneer mensen het gevoel hebben dat prijzen (gaan) stijgen, kan het zijn dat zij “nog even snel” de prijsstijging voor willen zijn. Daardoor stijgt de vraag en dus de prijs.

Correctie inflatiecijfer

De ECB corrigeert zijn inflatiecijfer wel voor kwaliteitsverbeteringen in producten. Nieuwe modellen van auto’s bevatten vaak standaard onderdelen die voorheen werden verkocht als optionele extra’s, zoals navigatiesystemen, air conditioning en air bags. Dit verschijnsel doet zich ook bij veel consumentenelektronica voor. Navigatiesystemen voor auto’s zijn inmiddels vervangen door gratis apps op smart phones. Zijn smart phones daardoor duurder geworden? Allemaal ontwikkelingen waardoor het inflatiecijfer lager wordt. Maar tegelijkertijd allemaal erg lastig te meten.

Tussentijdse conclusie

Kortom: overheidsinvesteringen in onderwijs en infrastructuur verhogen de inflatie niet, omdat ze eenvoudigweg niet worden meegenomen in de meetmethode. Stimulering van de private consumptie door de overheid werkt wel inflatieverhogend, als het voor prijsstijgingen zorgt.  

Maar of dat daadwerkelijk zo is, dat is maar de vraag. Volgens DNB onderzoek gaan zulke stimuleringsbedragen (‘helicoptergeld’) grotendeels naar aflossing van schulden en sparen voor onzekere tijden. Economen noemen dat het ‘spaarlek’. Daarnaast is er ook het ‘belastinglek’: dat wil zeggen dat een deel van het helicoptergeld dat wél wordt uitgegeven via belastingen (zoals btw en accijns) weglekt uit de economie naar de overheid. Stimulering van consumptie is dus op zijn minst een inefficiënte methode om de economie te stimuleren. En zoals in de volgende blogpost duidelijk zal worden: sparen en het aflossen van schulden remt de inflatie af.

Hoe meet men de geldhoeveelheid?

De geldhoeveelheid is alle valuta die in omloop is (munten en briefjes: chartaal geld), al het geld dat bij banken op bankrekeningen staat (giraal geld) plus de girale tegoeden die banken aanhouden bij de centrale bank(en). Dat wordt M-1 genoemd. M-1 is de maatschappelijke geldhoeveelheid (M staat daarbij voor Money). Daar telt men nog bij op de kort lopende spaardeposito’s (looptijd tot 2 jaar plus deposito’s met een opzegtermijn tot 3 maanden). Dat maakt met M-1 samen M-2. Als we daarbij de lange termijn spaardeposito’s optellen, komen we bij M-3. Nemen we ook nog korte termijn staats- en bedrijfsobligaties mee dan komen we bij M-4.

Omloopsnelheid geldhoeveelheid

Monetaristische economen geloven dat de omloopsnelheid van de geldhoeveelheid de belangrijkste factor is die de hoogte van de inflatie beïnvloedt. De omloopsnelheid is het aantal keren dat met dezelfde euro goederen of diensten worden gekocht binnen een jaar. Zij berekenen in de Fishervergelijking het verband in een economie tussen de geldhoeveelheid en het handelsvolume aan goederen en diensten. Maar van belang is of je M-1, M-2, M-3 of M-4 neemt voor de vergelijking. Want in de omloopsnelheid doen spaargelden nauwelijks mee. Met andere woorden: besparingen trekken de omloopsnelheid naar beneden.

Conclusie

Het klinkt logisch dat de geldhoeveelheid bestaat uit de voorraad maal de omloopsnelheid. Als je daarbij alle spaargelden meerekent (M-4), moet je er rekening mee houden dat de omloopsnelheid van dat spaargeld heel laag is. Dat sparen verlaagt dus de inflatie als de hoeveelheid geld gelijk blijft. Want dat spaargeld ‘rolt’ niet terwijl dat juist zo belangrijk is in onze consumptiemaatschappij.

Welke soorten inflatie zijn er?

Er zijn drie soorten inflatie: prijsinflatie, bestedingsinflatie en een combinatie daarvan, de structurele inflatie.

Prijsinflatie (cost push inflatie) wordt veroorzaakt door doorberekening van gestegen productiekosten, gestegen importprijzen en hogere belastingtarieven. Prijsinflatie komt met name voor als er een koopkrachtige vraag is, als de economie goed draait en consumenten bereid zijn geld uit te geven. Voor hetzelfde bedrag kan dan minder worden gekocht. Hoge inflatie ondermijnt het vertrouwen van burgers in hun eigen valuta. Daardoor worden investeringen voor buitenlandse beleggers risicovoller. Dit speelde in Nederland in de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Bestedingsinflatie (demand pull inflatie) ontstaat bij als bedrijven een volledig bezette productiecapaciteit draaien en moeite hebben om aan de vraag van hun klanten te voldoen (zoals eind jaren negentig in Nederland). Producten van bedrijven zijn schaars, verkoopprijzen gaan omhoog omdat concurrenten ook niet aan de vraag kunnen voldoen. Hun productiecapaciteit is immers ook begrensd. Dit gebeurt tijdens hoogconjunctuur, als consumenten graag besteden en er ook het geld voor hebben.

Naast prijsinflatie en bestedingsinflatie bestaat er ook een derde soort inflatie:  structurele inflatie. Dit betekent dat in steeds wisselende sectoren van de economie een van beide genoemde inflatiesoorten voorkomt.

Waarom is inflatie een probleem?

Bij hele hoge inflatie gaan burgers hun spaargeld omzetten in vreemde valuta waar ze wél vertrouwen in hebben (zoals de Zwitserse Frank voor veel Europeanen, of de Amerikaanse dollar voor Zuid-Amerikanen). Recente extreme voorbeelden hiervan zijn Zimbabwe en nu ook Venezuela. De eigen munt devalueert,  is niet meer geschikt voor internationale handel omdat buitenlandse bedrijven hem niet meer accepteren. In het eigen land keert de ruilhandel terug. Als je dan niet het juiste product hebt om te ruilen, kan je niet kopen wat je nodig hebt. Daardoor gaat de economie nog verder achteruit.

Goud is overigens ook een vluchtheuvel bij inflatie. Maar goud kent een eigen dynamiek. Het meeste goud is in handen is van centrale banken en particulieren in Azië en het Midden-Oosten (waar men de eigen bank niet vertrouwt). Daarnaast stijgt de goudvoorraad door de mijnbouw maar heel langzaam. Echter, als men in onzekere tijden vlucht in goud, dan gaat de prijs omhoog. En als de onzekerheid eenmaal voorbij is, loop je het risico dat je je goud met verlies moet verkopen. Beleggers als Warren Buffet voegen daaraan toe dat goud zelf niets produceert, bedrijven wel. Daardoor kunnen bedrijven naast koerswinst ook dividend opleveren, dat levert goud nooit op.

Als rendement op goud je niet interesseert, is de volgende vraag of je voor 5 gram goud (dat zo’n € 275 waard is) of de kleinste Canadese Maple Leaf gouden munt (€ 120) wel een halfje wit en een potje pindakaas kunt krijgen. Zeker als je dat plakje goud (kleiner dan een USB-stick) of de Maple Leaf niet kwijtraakt. Bovendien: als de samenleving instort en de Albert Heijn lege schappen heeft, kun je met al dat goud dan nog wel iets kopen? Dus hoe zinvol is beleggen in goud?  

Conclusie

De huidige maatregelen van de overheden om de economieën te ondersteunen, kunnen dus in principe best tot inflatie leiden. Daarmee is inflatie een risico dat beheerst moet worden. En dat is de taak van de ECB. De ECB wil de inflatie vlak onder de 2% houden. Daarover meer in deel 2 van deze blog.


Was dit artikel nuttig?