Michiel Sweers, directeur Innovatie & Kennis (ministerie van EZK)

Op deze pagina is ook content beschikbaar exclusief voor leden, Log in om toegang te krijgen tot deze content

“We moeten niet gemiddeld willen zijn”

Nederland geeft relatief weinig geld uit aan innovatie. Gemiddeld investeren we jaarlijks 2,2 procent van het bbp. Een stuk minder dan landen als Duitsland en Denemarken. En veel minder dan bijvoorbeeld Israël. De vraag is of dat past bij onze ambitie, vindt Michiel Sweers. “We zitten op het gemiddelde in de Europese Unie, maar misschien moeten we wel niet gemiddeld willen zijn.”

Michiel Sweers is nu zo’n drieënhalf jaar directeur Innovatie & Kennis. Na een jarenlange functie bij het ministerie van Financiën kon hij de overstap maken naar Economische Zaken en ‘de wondere wereld van de innovatie’. Daar hoefde hij niet lang over na te denken. “Ik geloof heel erg in het belang van een groeiende economie. Niet omdat groei een doel op zich is, maar mensen in een welvarend land in de regel gelukkiger zijn. Daarnaast hebben wij groei nodig voor onze collectieve voorzieningen en om bijvoorbeeld maatregelen tegen klimaatverandering te betalen. Groei kan echter niet meer op de oude manier, het moet duurzamer, inclusiever. En dus zijn er nieuwe werkwijzen en technologieën nodig. We moeten groeien door slimmer te worden.”

Politieke afwegingen

In het voorjaar, nog net voor de verkiezingen, was Sweers te gast bij het Innovatieplatform van het Verbond van Verzekeraars om een tour d’horizon te geven. Hoe staat ons land ervoor? Ook wereldwijd? Waar zijn we goed in? Wat kan beter? En wat kunnen verzekeraars bijdragen aan de innovatiekracht in ons land? Tijdens die online bijeenkomst liet hij zich onder meer ontvallen dat politieke partijen niet altijd genoeg aandacht hebben voor de technologische vooruitgang. “Innovatie stemt niet”, zei hij toen.
Een maand later zit hij online klaar voor een interview, via Teams. Hij moet lachen als zijn uitspraak aan de orde komt. “Heb ik dat gezegd?” De formatie is nog in volle gang en dus wil Sweers geen al te gekke politieke uitspraken doen. “Eerlijk? Ik zit er dubbel in. Aan de ene kant zie ik als directeur Innovatie & Kennis dat wij voor grote maatschappelijke problemen staan. Denk maar aan klimaatverandering of aan veiligheidsvraagstukken. Dergelijke problemen lossen we niet op met de kennis van vandaag. Daarvoor hebben we technologie en innovatie nodig. En dat vraagt om extra investeringen. De andere kant is dat ik snap dat er ook andere zaken zijn die om extra aandacht vragen. Het onderwijs, de salarissen in de zorg, onze bijdrage aan de NAVO. Allemaal onderwerpen die ook belangrijk zijn en die vragen om een politieke afweging.”

Wie is Michiel Sweers?

Michiel Sweers is directeur Innovatie & Kennis bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Zelf zegt hij dat hij zo’n drieënhalf jaar geleden “min of meer toevallig” in zijn huidige functie terecht is gekomen. “Bij de Rijksoverheid word je geacht na een paar jaar van plek te veranderen en de vorige directeur Innovatie & Kennis en ik hebben simpelweg van plek geruild.”
Sweers heeft op diverse plekken bij de Rijksoverheid gewerkt. Voor zijn huidige functie heeft hij ruim zeven jaar als directeur Algemene Fiscale Politiek op het ministerie van Financiën gewerkt. En weer daarvoor was hij plaatsvervangend directeur Arbeidsmarkt en Sociaal-Economische Aangelegenheden bij het ministerie van SZW.

Je staat nu ruim drieënhalf jaar aan het roer als directeur Innovatie & Kennis. Wat is jouw rol?

“Mag ik het wat breder trekken? Onze rol als directie is namelijk best divers en dat kan ik in mijn eentje niet aan. Ten eerste moeten wij ervoor zorgen dat Nederland een goed land is voor innovatieve bedrijven. Dan heb ik het over buitenlandse bedrijven die zich hier willen vestigen, maar ook over Nederlandse ondernemingen die hun geld moeten investeren. Ik heb liever dat ze dat hier doen dan in het buitenland. Zowel het vestigingsklimaat als de innovatiekracht komen de samenleving ten goede en dus is er alle reden om dat te stimuleren. Bijvoorbeeld via subsidieverlening of fiscale regelingen. Of door het scheppen van de juiste randvoorwaarden. Iets ‘simpels’ als de patenten moeten gewoon in orde zijn. Eigenlijk behoren dergelijke randvoorwaarden tot de klassieke taak die je als overheid hebt. Een tweede taak is dat wij ook zelf moeten investeren in kennis. We moeten ervoor zorgen dat we naast de wetenschap ook over de nodige topinstituten kunnen beschikken. We hebben op dit moment vijf van die toegepaste onderzoeksinstituten, ook wel TO2-instituten genoemd (TNO, Wageningen University Research, Deltares, NLR en MARIN). En dan zie ik nog een derde taak en dat is onze rol als verbinder. Innovatie werkt namelijk alleen als mensen elkaar weten te vinden. Wij moeten publieke en private partijen bij elkaar brengen. Sterke ecosystemen bevorderen, door ze simpelweg met elkaar aan tafel te zetten. Het klinkt wat plat, maar het maakt het wel duidelijk: alleen door samenwerking bereiken we ook echt impact.”

Is jullie rol gewijzigd in de drieënhalf jaar die jij er nu zit?

“Dat vind ik wel. Toen ik aantrad, dacht ik dat het vooral onze rol was om ervoor te zorgen dat bedrijven en onderzoeker met elkaar aan tafel zouden komen. En dat onze rol louter faciliterend was. Maar dat blijkt een te beperkte blik. Partijen willen wel samenwerken, maar ze hebben ook behoefte aan guidance: welke kant gaan we op met zijn allen? Zeker als het gaat om grote transities als klimaatverandering en digitalisering. Die rol moeten wij als overheid vervullen. Vroeger creëerden we de randvoorwaarden, zorgden ervoor dat het goed was geregeld en dan konden partijen het zelf wel af. Daarna kwam het besef dat we zelf ook aan tafel moeten zitten. En nu proberen we meer dan voorheen om ook de strategische koers te bepalen.”

"Innovatie werkt alleen als mensen elkaar weten te vinden"

Als we het in voetbaltermen zouden duiden, zijn jullie niet langer de grens- of de scheidsrechter, maar eerder een van de spelers?

“Zo mag je het wel stellen. Om in de voetbalsfeer te blijven, dat komt ook doordat innovatie vaak uit een voorzet van de overheid voortkomt. Kijk maar naar het verleden. Toen de Europese Commissie de gloeilamp verbood, nam de innovatie een enorme vlucht. Hetzelfde zie je bij de uitstoot van auto’s. Pas als de overheid een norm stelt, ligt er een duidelijke basis die tot nieuwe technologie leidt.”

Dat impliceert dat de rol van de overheid groter is dan die van de andere spelers?

“Die rol is er altijd geweest, alleen zijn we ons dat nooit zo bewust. Als je nu terugkijkt, zijn alle grote technologische doorbraken tot stand gekomen door een actieve rol van de overheid. We zijn even, na de RSV-enquête, wat terughoudender geworden, omdat we vonden dat je het spel aan de markt moest overlaten, maar dat denken is intussen weer veranderd. We doen nu meer dan alleen de randvoorwaarden scheppen. Om in jouw beeldspraak te blijven, we trekken niet alleen de lijnen en hangen de doelnetten op. We staan ook op het veld.”

En hoe zit dat internationaal? Heeft het buitenland ook zijn invloed?

“Zeker, het geopolitieke spel beïnvloedt ons allemaal. Met name tussen China en de VS is er een wedstrijd gaande wie de meest dominante mondiale speler is. Wie heeft de meeste controle? Hoe vooruitstrevend is de technologie van het land? Wij, als Europa, worden daarin min of meer gedwongen om onze eigen positie te kiezen. We willen niet meer afhankelijk zijn van één ander land. De coronapandemie heeft dat nog maar eens haarfijn belicht. Iedereen vroeg zich op een gegeven moment af of we niet zelf mondkapjes in huis moeten hebben in plaats dat ze uit China moeten komen.”

"We willen niet meer afhankelijk zijn van één ander land"

We willen minder afhankelijk zijn, maar blijven tegelijkertijd rond die 2,2 procent schommelen, terwijl Israël met vijf procent meer dan het dubbele doet. Is dat niet scheef?

“Afhankelijkheid is niet altijd slecht, maar we moeten ons wel bewust zijn van de kwetsbaarheden. Alle grote platformbedrijven, of het nou Google of AliExpress is, zijn Amerikaans of Chinees. Hoe comfortabel vinden we dat? Moeten we actief meer investeren in onze eigen positie? Ik geef volmondig toe dat 2,2 procent relatief bescheiden is, maar het is niet zo dat we niks doen. Sterker nog, de komende vijf jaar zullen we vanuit het groeifonds twintig miljard euro extra investeren in kennis, infrastructuur en R&D (research en development). Bovendien is die 2,2 procent het percentage van onze totale economie. Als je inzoomt op specifieke sectoren, dan zie je dat bijvoorbeeld onze hightech industrie op wereldniveau opereert, met bedrijven als ASML en NXP. Aan de andere kant heb je gelijk dat we qua investeringen niet in de buurt komen van een land als Israël.”

Wat kunnen we leren van Israël?

“Israël is vooral sterk als het gaat om startups. Er heerst een enorme ondernemingszin en er is veel privaat kapitaal beschikbaar. Als je daar dan nog bij optelt dat Israël zich als klein land vaak bedreigd voelt, dan is de voedingsbodem voor technologische ontwikkeling sterk aanwezig. Om te kunnen overleven, wil Israël graag aan de voorkant van innovatie zitten. Wij zijn meer een handelsnatie en willen een aantrekkelijk vestigingsland zijn. Desalniettemin moeten wij zeker kijken naar wat anderen doen. Naar Israël, maar bijvoorbeeld ook naar Boston of San Francisco.”

"Israël wil graag aan de voorkant van innovatie zitten"

Hoe kunnen wij ons beleid versterken? Meer of juist beter samenwerken?

“Allebei. Ons beleid is tot nu toe vooral gericht geweest op het bedrijfsleven en de onderzoeksinstellingen, maar er komen steeds nieuwe partijen bij, waaronder lagere overheden, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties. Wij mobiliseren die andere partijen zelf ook, zodat er nieuwe samenwerkingsverbanden komen. Daarnaast zullen we actiever de grens over moeten en meer internationale samenwerking moeten zoeken met bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk. Nederland is soms gewoon te klein. Het aantal startups neemt nu weliswaar snel toe, maar de bottleneck zit nog in het opschalen. Dat vraagt om forse investeringen en dat is in Nederland lastig. Daarom hebben wij samen met onder meer Invest.nl een fonds (250 miljoen) in de maak dat juist die stap van idee naar markt makkelijker moet maken. Een startup is nu te vaak afhankelijk van buitenlands kapitaal. En we willen dit soort ondernemingen soms gewoon graag in ons eigen land laten wortelen.”

Waarom?

“Laat ik een praktijkvoorbeeld geven. Een bedrijf in de regio Eindhoven is vorig jaar financieel in de problemen gekomen. Vroeger zouden we dan al snel zeggen: los het maar op. Nu zijn we als overheid actief de boer opgegaan om het probleem te helpen oplossen. Dat zul je meer gaan zien. Wat we hebben, willen we graag houden. Liefst nog versterken en uitbouwen. En ook daarin staan we niet alleen. In Amerikaanse kringen wordt veel gesproken over ‘de ontkoppeling van de wereldeconomie’. Kijk alleen eens naar je iPhone. Die wordt in China in elkaar geschroefd en Amerika noemt dat ‘ongewenste afhankelijkheid’. Ze willen toe naar eigen technologie. Tot op zekere hoogte snap ik dat wel, want ook in Europa is er een wens naar minder afhankelijkheid, maar we moeten niet doorschieten. Een bedrijf als ASML verkoopt zijn producten over de hele wereld en alleen al daarom moeten we in Nederland constant zoeken naar de juiste balans.”

Hoe kunnen verzekeraars daar het beste op voorsorteren?

“Verzekeraars zijn op dit moment niet verenigd in het zogenoemde Topsectorenbeleid, waarin wordt bepaald welk onderzoek nodig is en wat bedrijfsleven en kennisinstellingen van elkaar kunnen leren. Dat betekent natuurlijk niet dat innovatie voor verzekeraars niet relevant zou zijn. Integendeel. Ik denk dat er juist in de financiële sector veel nieuwe spelers/technologieën komen die de markt wel eens fundamenteel kunnen veranderen. Ik ken de verzekeringsmarkt niet goed genoeg, maar volgens mij moeten verzekeraars zich realiseren dat sommige risico’s verdwijnen (bijvoorbeeld met de komst van een zelfrijdende auto), terwijl andere komen (cyber). De markt kan dus fundamenteel veranderen.”

Zijn ze zich dat nu onvoldoende bewust? En is het dan vooral zaak om aan tafel te komen?

“Of verzekeraars zich wel of niet voldoende bewust zijn, weet ik niet. Ik durf dat niet te zeggen. Met enige regelmaat spreek ik met het Verbond en Verzekeraars en natuurlijk is het een heel breed speelveld met totaal verschillende spelers. Het kan best zo zijn dat de één een stuk harder en helemaal vooraan loopt. Maar zomaar, zonder plan een plek aan tafel vragen, lijkt me niet handig. Je moet wel van tevoren nadenken over de rol die je wilt vervullen. Ik denk dat er zeker kansen zijn. Vooral als publiek-private samenwerking nog niet tot stand komt, omdat er geen heldere private markt voorhanden is.”

Wat bedoel je daarmee?

“Een mooi voorbeeld is de publiek-private samenwerking op het gebied van gezondheid en geneeskunde. Als we willen dat mensen langer leven en in goede gezondheid, dan moeten we ons vooral richten op het voorkomen van ziekte. Minder pillen en meer preventie dus. In zo’n geval wordt publiek-private samenwerking met de farmaceutische industrie een lastig verhaal, terwijl het voor verzekeraars juist wel aantrekkelijk kan zijn als zoveel mogelijk schade wordt voorkomen. De vraag rijst dan ook of we met nieuwe spelers de publiek-private samenwerking op zo’n nieuwe markt wel kunnen vormgeven?”

"We moeten ons richten op het voorkomen van ziekten. Minder pillen en meer preventie!"

Dan spelen verzekeraars vooral een faciliterende rol?

“Ik denk dat verzekeraars vooral de missing link kunnen zijn. Dat geldt voor de gezondheidszorg, maar ook voor thema’s als de klimaatverandering en de energietransitie. Wij lopen vaak aan tegen het feit dat er ontbrekende markten zijn waardoor samenwerking niet vanzelf tot stand komt.”

Welke markten ontbreken er dan?

“De markten die als verdienmodel het voorkomen van maatschappelijke schade hebben. Verzekeraars kunnen daar een rol spelen. Ze brengen risico’s bij elkaar en moeten nu nadenken over de markten van de toekomst en hun maatschappelijke rol daarbij. Dat is een zoektocht waar alle grote ondernemingen trouwens voor staan. Als gevolg van nieuwe technologie ontstaat er een compleet nieuwe samenleving. Onze kinderen groeien op met een smartphone en krijgen letterlijk met de paplepel ingegoten dat elke dienst twee clicks away is. Dat betekent dat je niet achterover kunt leunen en tevreden kunt zijn met wat je hebt. Je kunt er immers niet langer op vertrouwen dat je je eigen markt kunt beschermen. Kom in actie en haal kennis naar binnen. Dat kan door een startup naar je toe te halen, of door actief mee te doen in het netwerk op AI-gebied, of door een samenwerking met een universiteit aan te gaan, maar zet je ramen open.”

Is dat jouw tip voor verzekeraars: zet je ramen open?

“Ja. Naast de risico’s van disruptieve innovatie liggen er ook echt kansen voor verzekeraars. Maar dan moeten ze wel innoveren. Echte innovatie ontstaat alleen als je bereid bent om samen te werken en over jouw eigen schutting heen te kijken. Daarnaast bedoel ik dat ramen openzetten ook breder. Je zult als verzekeraar meer moeten bieden dan alleen een financieel product. Wat is jouw license to operate? Wat draag je bij aan de maatschappij? Alleen maar geld verdienen, is tegenwoordig niet meer genoeg. Dat pruimt de samenleving, maar ook je eigen personeel niet. De vanzelfsprekendheid die er vroeger wel was, is er niet meer.”

(Tekst: Miranda de Groene - Fotografie: Ivar Pel)


Was dit artikel nuttig?