Skip to Content

Ons pensioen biedt keuzes. Zeker als dat is ondergebracht bij een verzekeraar of een premiepensioeninstelling (ppi). Maar maken we ook gebruik van die keuzemogelijkheden? En welke kenmerken hangen samen met de keuzes die we maken? Speelt het bijvoorbeeld een rol of je kostwinner bent? Of er nog kinderen thuis wonen? En hoe belangrijk is je financiële situatie en het moment waarop je met pensioen gaat? Het Verbond onderzocht dit door gegevens van pensioenverzekeraars te koppelen aan microdata van het CBS. 

Waarom een onderzoek naar keuzebegeleiding?

Vanaf 1 januari 2028 kent ons land nog maar drie verschillende pensioenregelingen: de premieuitkeringsregeling en de flexibele of de solidaire premieregeling. Tussen die drie regelingen zit een aantal verschillen. Belangrijkste is dat zowel de flexibele als de premie-uitkeringsregeling, die verzekeraars en ppi's aanbieden, meer individuele keuzevrijheid bieden. Onder meer als het gaat om de beleggingen en de uitkeringsvorm. Verzekeraars en ppi's willen graag weten welke (wettelijke) pensioenkeuzes actieve en gewezen deelnemers maken. Die kennis kan helpen bij de verdere ontwikkeling van keuzebegeleiding. Daarom is het Verbond van Verzekeraars een onderzoek gestart. Deze eerste meting brengt het keuzegedrag van vóór de Wet toekomst pensioenen in beeld. Het onderzoek wordt over een jaar herhaald. 

Wet toekomst pensioenen 

Met de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) neemt het belang van keuzebegeleiding toe. Deelnemers krijgen namelijk meer keuzes rondom hun pensioen, maar het is een bekend gegeven dat veel mensen pensioen lastig vinden en keuzes daarom soms uitstellen en uiteindelijk zelfs afstellen. Om meer en beter inzicht te krijgen in het keuzegedrag heeft het Verbond van Verzekeraars onderzocht welke keuzes pensioendeelnemers maken. Het gaat daarbij nadrukkelijk om keuzes die worden gemaakt als de pensioendatum is bereikt. 

Bevindingen 

Volgens beleidsadviseur Pim de Nijs laten de analyses zien dat keuzes samenhangen met persoonlijke en financiële kenmerken. “Het maakt met andere woorden verschil of je kostwinner bent of niet. Alleenstaanden, éénoudergezinnen en vrouwen kiezen bijvoorbeeld logischerwijs vaker voor het uitruilen van partnerpensioen voor ouderdomspensioen.” 
Andere conclusie is dat mannen vaker kiezen voor hoog/laag. Dat houdt in dat je aan het begin van je pensionering een hogere uitkering krijgt die later lager is. De Nijs: “Overigens speelt bij de hoog/laag keuze het wel een rol of er nog een kind thuis woont. Ook een eventuele hypotheekschuld en het wel/niet hebben van een lijfrente hangt samen met het keuzegedrag.” 

Beleidsadviseur Pim de Nijs: "Keuzes gaan logischerwijs gepaard met persoonlijke en financiële kenmerken. Een kostwinner kiest anders dan een alleenstaande"

 

Nulmeting 

Voor het onderzoek zijn de gegevens van pensioenverzekeraars over 2021 en 2022 gekoppeld aan microdata van het CBS, waaronder leeftijd, geslacht, samenstelling huishouden en inkomensgegevens. Nog ruim voor de invoering van de WTP dus en daarom beschouwt het Verbond het als een nulmeting. Mina Arvin, data scientist bij het Data Analytics Centre van het Verbond, legt uit dat het CBS de aangeleverde data in een beveiligde omgeving heeft geplaatst waar zij de data kon koppelen. “Vervolgens heb ik analyses uitgevoerd in die beveiligde omgeving.” 
Ze benadrukt dat de eisen hoog waren, vooral omdat het CBS betrokken was bij het onderzoek. “Het CBS heeft alle data die wij uit de beveiligde omgeving hebben gehaald gecheckt op herleidbaarheid. Niks mag zijn terug te voeren op een enkel individu. En terecht.” 

Zes thema’s 

Het data-onderzoek is gericht op zes verschillende thema’s die bij iedere keuzemogelijkheid naar voren komen: 
 1. Geslacht en (hoofd)kostwinnerschap 
 2. Huishoud- en partnerkenmerken 
 3. Pensioenpositie en pensioenopbouw 
 4. Inrichting van het keuzeproces 
 5. Leeftijd waarop het pensioen ingaat ten opzichte van de AOW-leeftijd 
 6. Financiële positie van deelnemers/huishoudens
Volgens Arvin is ‘timing’ een van de belangrijkste bevindingen van het onderzoek. Ze doelt daarmee op het moment waarop de deelnemer het pensioen laat ingaan. “Gemiddeld gaat zo'n zeven tot acht procent precies op de AOW-leeftijd met pensioen. Het pensioen op de AOW-leeftijd laten starten, vergt echter een actieve keuze. Wij zien bij de mensen die deze keuze maken dat ze vaker gebruik maken van andere mogelijkheden, zoals hoog/laag.” 
De Nijs vult daarbij aan dat “dit weer eens onderstreept dat pensioenkeuzes altijd in samenhang moeten worden bekeken”. 

Data scientist Mina Arvin: "We willen graag onderzoeken of het keuzegedrag verandert onder het nieuwe pensioenstelsel"

Hulp voor verzekeraars 

Hij benadrukt tot slot dat de resultaten laten zien dat deelnemers niet allemaal op dezelfde manier keuzes maken. “Verschil in de huishoudsituatie, de financiële positie, de pensioenopbouw en het pensioenmoment, het hangt allemaal samen met het keuzegedrag. Wij denken dat de inzichten uit ons onderzoek verzekeraars kunnen helpen bij het verder ontwikkelen van een goede keuzebegeleiding.” 
Vooral omdat het nu een nulmeting betreft, is herhaling (met recente gegevens) van groot belang, besluit zowel Arvin als De Nijs. “Op die manier kunnen we onderzoeken of het keuzegedrag verandert onder het nieuwe pensioenstelsel. En daarnaast kan aanvullend (kwalitatief) onderzoek meer inzicht geven in de motieven van pensioendeelnemers.” 

Interesse in het volledige pensioenrapport? Klik hier!