Skip to Content

Vanuit onze verschillende rollen in het stelsel - als verzekeraars en als partijen die zich richten op preventie, activering en re-integratie - zien wij wat langdurig uitvallen betekent voor mensen, voor bedrijven en voor de samenleving. De praktijk laat zien dat de oplossing niet zit in het afschaffen van het onderscheid tussen mensen met en zonder re-integratiekansen, maar in eerder en beter handelen.

Capaciteit

Neem de IVA, de uitkering voor mensen die duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Het kabinet wil deze voor nieuwe gevallen afschaffen, met als argument dat de duurzaamheidskeuringen te veel capaciteit kosten. Maar dat lost het capaciteitsprobleem niet op, het verplaatst het. Het levert nauwelijks extra tijd op in het keuringsproces (en mensen moeten dan periodiek herkeurd worden, ook als ze bijvoorbeeld permanent vanaf de nek verlamd zijn). Ondertussen vervalt wel de inkomenszekerheid voor de groep die die zekerheid het hardst nodig heeft: mensen bij wie herstel geen reële optie is. Bestaanszekerheid is geen luxe.

Preventie

De echte winst valt te halen vóór mensen in de WIA belanden. Wie in Nederland ziek wordt, heeft twee jaar lang recht op loondoorbetaling door zijn werkgever. Een systeem dat bewust zo is ingericht, omdat werkgevers daarmee een directe prikkel hebben om te investeren in herstel en werkhervatting.
Als we de instroom in de WIA willen beperken, moeten juist deze eerste twee ziektejaren beter worden benut, met meer aandacht voor preventie, tijdige interventies en actieve begeleiding naar werk.

Eerste spoor

En daar gaat het nu te vaak mis. Voor veel werknemers is na een jaar ziekte al wel duidelijk dat terugkeer bij de eigen werkgever niet realistisch is. Tegelijk willen veel werkgevers na verloop van tijd graag een nieuwe collega aannemen. Toch wordt die stap zelden gezet. Werkgever en werknemer bewandelen tegelijk het eerste spoor: misschien keert de werknemer toch terug naar zijn oude baan, én het tweede: misschien vindt hij elders werk. Die verdeelde aandacht gaat ten koste van de gerichte ondersteuning die nodig is om iemand écht te helpen. Het resultaat: een tweede jaar dat meer op een wachtkamer lijkt dan op een springplank.

Tweede spoor

Dit kan anders. Door duidelijker te kiezen voor het tweede spoor, tenzij terugkeer bij de eigen werkgever nog realistisch is. Bied ruimte voor detachering bij een nieuwe werkgever tijdens het tweede ziektejaar, zodat werknemer en werkgever kunnen ervaren of de samenwerking werkt zonder dat de oude arbeidsrelatie meteen hoeft te worden verbroken. Breid de no-risk polis uit, de regeling die nieuwe werkgevers financieel beschermt als iemand die ze in dienst nemen opnieuw uitvalt. Die mogelijkheid bestaat al, maar wordt nog onvoldoende benut. En het betekent investeren in de eigen regie van de zieke werknemer zelf. Onderzoek laat zien dat versterking van de eigen regie van werknemers in hun re-integratieproces aantoonbaar verschil maakt.

Keuringsproces

Tegelijk kan het keuringsproces slimmer wanneer verzekeringsartsen hun oordeel in principe te baseren op de (medische) informatie die al beschikbaar is: opgebouwd door bedrijfsarts, huisarts en behandelend specialist in de eerste twee ziektejaren. Nieuw medisch onderzoek door een UWV-arts zou dan alleen hoeven plaatsvinden op verzoek van werknemer, werkgever of bedrijfsarts. Niet iedereen hoeft opnieuw volledig onderzocht te worden. Wie zijn capaciteit richt op de complexe gevallen, maakt meer tijd vrij voor de mensen die het echt nodig hebben. 

Drie concrete stappen

Het Verbond van Verzekeraars, OVAL en PPUSZ roepen de politiek daarom op tot drie concrete stappen. Behoud de IVA voor mensen zonder herstelperspectief, tast de bestaanszekerheid van de IVA-status niet aan, het is een schijnoplossing voor een uitvoeringsprobleem. Investeer in een tweede ziektejaar dat activerend werkt: als springplank naar ander werk, niet als wachtkamer voor de keuring. En laat het UWV meer gebruik maken van de medische data die er al is. Het recept voor een stelsel dat werkt, bestaat vooral uit een betere uitvoering.     

Harold Herbert, directeur Verbond van Verzekeraars
Karin Hoogteijling, directeur OVAL
Sven Kelder, voorzitter PPUSZ