“Iedereen is gefocust op de nieuwbouweisen voor de 1,5 miljoen woningen die we tot 2050 moeten bouwen. Maar wat doen we om neerslagschade te beperken voor die acht miljoen woningen die er al zijn?” Hoogleraar Bas Kolen weet dat juist de bestaande bouw bijdraagt aan het risico. Hij vindt dan ook dat we meer inzicht moeten krijgen, zodat we gericht actie kunnen ondernemen. “Heldere afspraken zijn nodig om meer grip te krijgen.”
Bas Kolen was een van de sprekers op de Klimaatmiddag 2026 van het Verbond. Tijdens die bijeenkomst stond naast biodiversiteit ook overstromingen centraal. Wat gebeurt er met de verzekerbaarheid als het klimaat verandert en de zeespiegel stijgt? Kolen heeft de deelnemers in een deelsessie uitgelegd hoe groot/klein de overstromingsrisico’s in ons land zijn en waardoor deze worden veroorzaakt. Ook heeft hij het belang van klimaatadaptatie benadrukt. Wij spraken hem een week geleden al op het kantoor van adviesbureau HKV Lijn in water, waar Kolen directeur is.
Bas Kolen is directeur Onderzoek en Ontwikkeling bij adviesbureau HKV Lijn in water. Daarnaast bekleedt hij sinds 1 september 2024 de leerstoel Enterprise Risk Management aan de Universiteit van Amsterdam. Deze leerstoel is mogelijk gemaakt door de Stichting Assurantiebeurs Amsterdam.
Kolen richt zich in dat onderzoek op de impact van klimaatverandering op financiële risico’s. Zijn belangrijkste aandachtspunt is hoe overstromingen en neerslag doorwerken in verzekeringen. Op 7 november 2025 sprak hij de rede Verzekerd van klimaatrisico’s uit, bij de aanvaarding van zijn ambt.
Bas Kolen studeerde aan de Universiteit van Twente (Civiele Technologie en Management) en promoveerde aan de Radboud Universiteit op onderzoek naar de effectiviteit van crisismanagement op de reductie van overstromingsrisico’s.
“Dat denk ik wel. Als wetenschapper wil ik graag bijdragen aan oplossingen en als adviseur werk ik aan oplossingen. Die mix van onafhankelijk onderzoek en de dagelijkse praktijk, waardoor we weten waar de gaten zitten, is nuttig. En leuk!”
“Als je kijkt naar het verzekeren van overstromingsrisico’s in Nederland, dan maken wij gebruik van allerlei beschikbare data over kansen en gevolgen. Met die data gaan we allerlei scenario's ontwikkelen en wiskundige berekeningen maken om tot risicoanalyses te komen. Maar hoe goed zijn die data? Hoe zijn ze tot stand gekomen? Welke aannames zitten daarachter? En welke keuzes zijn gemaakt? In de waterwereld worden die risicoanalyses onder meer gebruikt om na te gaan hoe sterk de waterkeringen moeten zijn. Als wij diezelfde insteek zouden hanteren voor de verzekeringssector, dan komen we tot een heel hoog risico en voelt iedereen dat in zijn portemonnee. De rekenmethodiek verschilt dus niet zoveel, maar de aannames die je doet en de keuzes die je maakt wel.”
“Precies daarom is de onderzoeksvraag heel belangrijk. Die vraag bepaalt namelijk niet alleen de aanpak van het onderzoek, maar ook de keuzes die je maakt. Overigens is de basisinformatie, die is ontwikkeld in de waterwereld, wel het gezamenlijke vertrekpunt. Ook voor de financiële sector. Je moet dan denken aan informatie over verschillende overstromingsscenario’s, statistieken over neerslag, waterstanden en faalkansen van waterkeringen. Het gebruik van die informatie in de financiële sector leidt wel weer tot nieuwe vragen. Bijvoorbeeld over de kans en omvang van extreme gebeurtenissen. Of over de kans dat meerdere objecten tegelijkertijd overstromen. Aan de andere kant kunnen ook juist positieve punten als early warning en slim schadeherstel (Build Back Better) aan bod komen. De leerstoel Enterprise Risk Management biedt mij de kans om onafhankelijk onderzoek te doen én inzicht te geven in de effecten van klimaatverandering. Welke effecten heeft het klimaat (en veranderend beleid) op de verzekeringssector? En zijn die ook significant voor andere ontwikkelingen? Dat zijn voor mij de twee belangrijkste vragen.”
“Dat ligt er maar aan wat je onder overstroming verstaat. Er zijn veel vormen van wateroverlast. Ik kijk vooral naar het overstromingsrisico door dijkdoorbraken en neerslag. Een voorbeeld is korte en hevige neerslag die kan leiden tot overbelasting van de riolering, zoals dat in de zomer van 2024 in de wijk Pathmos (Enschede) heeft plaatsgevonden. Ook kun je denken aan langdurige regenbuien die leiden tot het buiten de oevers treden van watergangen en beken (Limburg 2021). Voor die dijkdoorbraken maken wij onderscheid tussen secundaire en primaire waterkeringen. De secundaire waterkeringen noemen we ook wel regionale keringen die liggen langs kanalen en boezemsystemen. De primaire waterkeringen beschermen ons tegen overstromingen van zee, rivieren en grote meren. Dat zijn natuurlijk de grote rampen die kunnen leiden tot miljarden euro’s schade en duizenden doden. Huishoudens kunnen dat risico nu niet verzekeren, maar de overheid kan in zo’n geval wel de Wts (Wet tegemoetkoming schade bij rampen) inzetten voor schadecompensatie. Want hoewel de kans op een overstroming echt heel klein is, zijn de gevolgen enorm groot als het gebeurt. Ik richt me vooral op de risicoanalyses van extreme neerslag en dijkdoorbraken. Simpel vertaald zet ik de kansen en gevolgen op een rij, zodat er een realistische risico-inschatting komt.”
“De kans op een doorbraak van een primaire kering in ons land schat ik nu in op eens in de honderd jaar. Dan heb ik het wel over een relatief kleine overstroming, met een schadeomvang van enkele honderden miljoenen. De laatste doorbraak was in 1953. Sinds die tijd zijn er veel waterkeringen versterkt en zijn de eisen flink aangescherpt. In 2021, en ook in 1993 en 1995, zijn er geen primaire keringen doorgebroken. Al met al is ons land veel veiliger geworden, maar statistisch gezien kan een overstroming morgen plaatsvinden, maar ook pas over 99 jaar.”
(lachend) “Ja, zo werkt de statistiek nou eenmaal. Ik zeg altijd: als we lang genoeg zouden leven, winnen we allemaal wel een keer de Staatsloterij. Als je maar meedoet.”
“Dat denk ik wel. We hebben veel geïnvesteerd in waterkeringen, waardoor de faalkansen klein zijn. Onze strengste normen (bij de kerncentrale in Borssele) gaan uit van een kans van één op de miljoen jaar. We zijn dus goed beschermd. En terecht. Onze rivierdijken zijn nu veel veiliger dan vijftig jaar geleden. In 2017 heeft de overheid de normen nog een keer aangescherpt en met het hoogwaterbeschermingsprogramma zorgen we ervoor dat alle waterkeringen in 2050 aan deze eisen voldoen. De kans op een overstroming wordt dus nog kleiner, omdat we onze normen steeds aanscherpen als dat nodig is.”
“Die verandering gaat hard. Rond 2000 was de kans op een extreme bui (39 mm in één uur op één locatie ergens in Nederland) eens in de honderd jaar. Nu is dat eens in de 25 jaar. Maar ook bij neerslag moet je een onderscheid maken tussen de verschillende vormen van wateroverlast. Je hebt de korte piekbuien, waarbij vooral de riolering en het stedelijke watersysteem een rol spelen. En we hebben te maken met langdurige neerslag, waarbij de waterschappen zijn betrokken. Zij moeten bepaalde normen halen en ervoor zorgen dat de kans op overstroming in bebouwd gebied beperkt blijft tot eens in de honderd jaar. Overigens gelden op sommige plaatsen in Nederland minder strenge normen, omdat het lokaal te duur wordt om het watersysteem aan te passen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Limburg, in het Heuvelland. Het klinkt niet zo aardig, maar vanuit een economische redenering mag het risico op wateroverlast daar iets groter zijn dan elders. De eventuele schade kun je overigens wel verzekeren, maar ik vraag me af of we in het ruimtelijk beleid en in de crisisbeheersing niet meer compenserende maatregelen moeten nemen? Ik denk dat verzekeraars daar ook een rol in kunnen spelen.”
“Preventie. Je kunt het risico vooraf al verkleinen, maar je kunt ook maatregelen nemen als het mis gaat of dreigt te gaan om verdere schade te voorkomen. Zo kunnen we bij nieuwbouw van woningen nu al rekening houden met klimaatverandering. Maar dat vergt wel keuzes. Een voorbeeld betreft de riolering. Wij hebben in Nederland een ontwerpstandaard waarbij het rioolsysteem één of twee keer per jaar kan overstorten. Je ziet toch wel eens foto’s van wateroverlast in een straat? Dat hoort dan bij het ontwerp, waarin water op straat en in wadi's wordt geborgen. En zolang dat water maar niet (te vaak) de huizen in stroomt, zijn die risico’s acceptabel. Maar, dat is alleen bij nieuwbouw. Onze normen en eisen zijn sowieso vooral gericht op nieuwbouw. En dan nog ontbreken vaak de landelijke ontwerpstandaarden, waardoor de eisen niet overal gelijk zijn. Bij bestaande bouw is het helemaal onduidelijk wanneer risico's te groot worden, terwijl klimaatverandering en bodemdaling wel leiden tot toename van het neerslagrisico. Grote aanpassingen zijn vaak gekoppeld aan grootscheepse renovaties. Een riool gaat een kleine eeuw mee en in die tijd kan er veel gebeuren. Komt een kwetsbare wijk pas aan de beurt als de infrastructuur zijn einde nadert? Of moeten we eerder aan de slag? Ik denk dat we daar concrete en kwantitatieve afspraken over moeten maken, zodat er meer duidelijkheid en eenduidigheid komt. Het kan toch niet zo zijn dat we in Amsterdam heel andere afspraken maken dan in Almelo?”
“Wat is genoeg?, is dan mijn wedervraag. Laten we vooropstellen dat er aandacht voor klimaatadaptatie moet zijn. Het klimaat verandert en dat we daar iets mee moeten, staat buiten kijf. Sterker nog, we moeten daarover heldere afspraken maken. Want hoe ver gaan we? Als ik naar de data op verzekeraars.nl kijk, dan kan ik heel makkelijk de jaarlijkse neerslagschade per huishouden uitrekenen. Ik kom uit op ongeveer tien euro per huishouden per jaar en dat kunnen we geen groot maatschappelijk probleem noemen, toch? Maar, als ik verder op die data inzoom, zie ik een enorme scheefheid. Het risico voor extreme neerslag ligt namelijk vooral bij zo’n tien tot twintig procent van de huishoudens. Als we dat probleem niet collectief oplossen, hebben die huishoudens een groot probleem. En dat wordt door klimaatverandering alleen maar groter. Uit onderzoek van grote banken blijkt dat de klimaatrisico’s zich vooral in de kwetsbare wijken opstapelen. Tegelijkertijd zeggen wij als maatschappij dat die wijken geschikt zijn om in te wonen en te werken. Moeten we de lasten dan afwentelen op die individuele huishoudens? Of moeten we dat collectief oplossen?”
“Ik vind dat laatste. We hebben het aan den lijve ondervonden in Enschede. De kans op wateroverlast in Pathmos verandert niet alleen door klimaatverandering, maar ook door ruimtelijke keuzes van de overheid in het grondwaterbeheer. Daar hebben bewoners geen enkele invloed op. Huishoudens hebben sowieso maar beperkt grip op de oorzaken van wateroverlast en overstroming. Juist daarom denk ik dat het goed is als er heldere afspraken worden gemaakt en er duidelijke kaders komen.”
“Het lijkt me duidelijk dat als het harder regent en er vaker wateroverlast is, dat je dan ook zelf het nodige kunt doen. Maar die bui valt in de hele wijk. Dus moeten we ook kijken naar collectieve maatregelen, in het waterbeheer en de ruimte. Dat is aan de overheid. Ik vergelijk het wel eens met snelheidslimieten op wegen. Het is heel helder wat wel en wat niet mag. Waarom zouden we ook niet voor het klimaat heldere afspraken kunnen maken?”
“Ik denk dat we zowel het bewustzijn als het inzicht in de risico’s kunnen vergroten. Bewustzijn is van belang om preventie te stimuleren en het inzicht is nodig voor de kapitaaleisen van verzekeraars. Voor verzekeraars is het verder van belang dat ze helderheid hebben over ons watersysteem. Hoe vaak mogen overstromingen voorkomen, ook in de stad? Wat vinden wij verantwoord? En als er wateroverlast is, is het dan beter om achteraf de schade te accepteren en het risico te verzekeren? Of moeten we juist vooraf investeren? Daarnaast is het goed als er minimale eisen voor woningen komen. De eisen worden nu erg procesmatig beschreven en zijn te veel gericht op alleen maar nieuwbouw. Iedereen zit vol goede bedoelingen, maar er is geen eenduidigheid. Meer helderheid zorgt er ook voor dat risico’s behapbaar blijven, zodat we voorkomen dat verzekeraars op een gegeven moment zeggen: ik ga dat niet meer verzekeren. Of een bank een enorme renteopslag gaat rekenen, omdat ze bewoners wil stimuleren maatregelen te nemen, terwijl dat collectief veel beter kan.”
“Zeker. Build Back Better biedt vooral kansen bij de relatief vaak voorkomende neerslagschades. Maar het vergt ook weer bewustzijn. En helderheid over wat wel en niet mag. Het maakt in dit geval ook niet uit of je bent verzekerd. Ook als de overheid via de Wts jouw schade vergoedt, moeten we standvastiger zijn: wij gaan niet zomaar terugbouwen wat je had. Zelfs niet als dat misschien ietsje meer kost. En als jij per se weer een parketvloer wilt, dan betaal je ’m maar (voor een deel) zelf. Ik vind dat verzekeraars en de overheid meer hand in hand kunnen opereren. Verzekeraars hebben een maatschappelijke functie (samen risico’s dragen) en kunnen meer door de overheid worden geholpen als het gaat om gezamenlijke voorwaarden.”
“Wanneer wij overstromingen als een maatschappelijk probleem beschouwen en standaarden willen hebben voor Build Back Better, dan moet de overheid dat misschien wel afdwingen? Zeker als ik naar kosten/baten en maatschappelijke ontwikkelingen kijk, moeten er afspraken worden gemaakt over heldere kaders. Je kunt Build Back Better niet van individuele partijen, huishoudens en verzekeraars, laten afhangen. Spelregels zijn nodig. Zeker als we naar de lange termijn kijken en de risico’s van neerslag en overstroming willen beteugelen, moeten we nú aan de slag.”
(Tekst: Miranda de Groene - Beeld: Ivar Pel)