Vijf jaar geleden overstroomde Limburg. Verzekeraars hebben na die rampdag in juli 2021 meer dan 25.000 claims ontvangen. Daan van Ederen (Vrije Universiteit en Achmea) heeft voor zijn onderzoek gebruik mogen maken van een deel van die schadeclaims en samen met zijn mede-onderzoekers de balans opgemaakt. “Voor een goed risicomanagement op overstromingsgebied zou een update van de schadeberekeningen geen kwaad kunnen.”
Het gesprek vindt plaats in de brasserie van het Achmea-kantoor in Zeist. Een dag eerder kopte het Algemeen Dagblad nog dat de Rijn, Waal en IJssel deze zomer met steeds meer watergebrek kampen. Er dreigt een fors watertekort. Bizar, want vandaag staat juist het tegenovergestelde op het programma: overstroming. Van Ederen schudt zijn hoofd: “De extremen worden steeds extremer. Dat geldt voor warmte en droogte, maar zeker ook voor overstroming. We moeten daar echt meer rekening mee gaan houden en dat bedoel ik tamelijk letterlijk. Zeker als ik kijk naar onze berekeningen voor de schade die kan ontstaan, moeten we eigenlijk een update uitvoeren. Het nationale schademodel, dat voor een deel op inzichten leunt van de overstromingen uit 1953 en sinds begin jaren tachtig wordt gebruikt, (b)lijkt volgens ons onderzoek te conservatief.”
Daan van Ederen is promovendus Climate-related Financial Risks bij de Vrije Universiteit (VU) en werkt bij Achmea. Samen met zijn promotoren, een collega PhD, een onderzoeker bij Deltares en een collega bij Achmea heeft hij acht maanden lang onderzoek gedaan naar een nieuw model voor overstromingsschade.
Het onderzoek is inmiddels in pre-print beschikbaar en wordt later gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift.
“Ik vind dat flauw. Je hebt gelijk dat de aandacht voor ons veranderende klimaat een stuk minder is, doordat geopolitiek nu de overhand heeft, maar de fysieke klimaatverandering gaat intussen wel onverminderd door. Twee weken geleden hadden we nog met een hittegolf te maken en hoewel de kans klein is, kan er ook deze zomer nog een overstroming plaatsvinden.”
“De overstroming in Limburg heeft veel teweeggebracht in onderzoeksland, maar ook in de maatschappij. Mensen zijn zich weer bewust geworden dat we in een land leven met overstromingsrisico’s. Het is niet voor niets dat verzekeraars steeds meer dekking verlenen, zowel zakelijk als voor particulieren. En, zoals gezegd, zijn er veel onderzoeken naar en in Limburg gedaan. Hoe vaak kan zo’n overstroming plaatsvinden? Wat is de invloed van het klimaat geweest op de overstroming? Wat als het ergens anders was gebeurd, bijvoorbeeld in de randstad? Wat zouden dan de gevolgen zijn geweest? Maar ook, waar wij naar hebben gekeken: wat is de exacte schade van woonhuizen geweest in Limburg? En hoe kun je de lessen van Limburg gebruiken voor toekomstig risicomanagement?”
“Voor ons onderzoek hebben we gebruik gemaakt van verzekeringsclaims die zijn ingediend na de overstroming. Met dank aan het Data Analytics Centre van het Verbond en Stichting CIS is ons onderzoek dus volledig gericht op Limburg. Of, nog specifieker, op de schade aan eengezinswoningen in Valkenburg, Roermond en Geleen. Wij hebben een schademodel gemaakt. Dat is een wiskundig model waarmee je de schade van een overstroming, maar ook van andere natuurevenementen, waaronder storm, kunt berekenen. Bij overstromingen wordt vaak de waterdiepte in een woning of een gebouw gebruikt als factor om de schade te bepalen. Die waterdiepte geeft aan hoe hoog het water is gekomen. Kennisinstituut Deltares heeft in samenwerking met de VU, direct na de overstroming een survey in het getroffen gebied uitgezet. Aan bedrijven en huishoudens is toen gevraagd of ze water in hun bedrijf of woning hadden. Aan de hand van die survey hebben wij een beeld kunnen vormen van die waterdiepten. Dat beeld hebben wij vergeleken met de echte (anonieme) schadedata, dus alle bonnetjes die bij verzekeraars zijn binnengekomen. En uiteindelijk hebben we uitgerekend bij welke waterdiepte je welke schade kunt verwachten.”
“Ons schademodel moet je zien als onderdeel van een veel groter model, wat ook wel een natuurlijk catastrofemodel wordt genoemd. Dat bestaat uit veel meer onderdelen, waaronder statistieken over hoe vaak en waar een rivier kan overstromen, maar ook welke waterdiepten dan kunnen voorkomen. Wij hebben een model gemaakt dat op basis van de karakteristieken van een overstroming (de waterdiepten) de schade uitrekent. En als ik het nog iets specifieker maak, dan hebben wij met name gekeken hoe ons schademodel voor woningen zich verhoudt tot het nationaal schade- en slachtoffermodel (SSM) dat door Rijkswaterstaat wordt beheerd. Een van onze belangrijkste bevindingen is dat dit nationale model de opstalschade aan eengezinswoningen een stuk lager inschat dan wij. Overigens is die opstalschade aan eengezinswoningen maar één van de vele schadecomponenten in het nationale model. Deze berekent namelijk ook schade aan appartementen, infrastructuur, bedrijven en andere schadecategorieën, maar daar heb ik in mijn onderzoek niet naar gekeken.”
“Dat hangt af van de specifieke waarden. Bij woningen die zijn getroffen door een lage waterdiepte (tientallen centimeters), kan er sprake zijn van een factor tien. Als het nationale model een schade van duizend euro inschat, komt ons model op tienduizend uit. En wanneer je naar grotere waterdiepten gaat (tot twee meter), dan hebben we het over een onderschatting van de schade met een factor twee. Als we alles bij elkaar optellen en grofweg alle woningen in Nederland onder water zetten die onder water kunnen komen, dan zegt het nationale schademodel dat de totale opstalschade 110 miljard bedraagt, terwijl wij in ons model op 230 miljard uitkomen. Dat is meer dan een factor twee en een verschil van 120 miljard euro. Als we naar de totale overstromingsschade (dus inclusief schade aan appartementen, infrastructuur, bedrijven, ect.) bij een evenement kijken, dan neemt deze gemiddeld met zo’n vijftien procent toe.”
“Ja en nee. Wij zijn dit onderzoek gestart, omdat we al het vermoeden hadden dat het huidige model voor opstalschade te conservatief is. Net nationale schademodel is voor een aanzienlijk deel gebaseerd op de overstromingen uit 1953. Daarna zijn er nog wel verschillende updates geweest, maar omdat we in ons land geen grote overstromingen meer hebben gehad, was daarvoor nauwelijks data voorhanden. Sommige aannames lijken daardoor nog voor een deel op de inzichten uit 1953 terug te voeren. Wellicht is ons model ook niet dé waarheid, omdat het is gebaseerd op één specifieke locatie en één type gebouw (alle eengezinswoningen behalve appartementen), maar ik ben ervan overtuigd dat er zeker een kern van waarheid in zit. Daarom zijn wij ook benieuwd naar de beleidsimplicaties. Bij de overheid, maar ook bij commerciële bedrijven, waaronder financiële instellingen. Voor de overheid zitten die implicaties vooral bij de dijken, in de kosten-batenanalyses. Als ons model leidend was geweest bij de normeringsberekeningen van de primaire dijken en keringen uit 2017, dan was er voor drie trajecten (van de tientallen die wij hebben bekeken) waarschijnlijk een hogere normering uitgekomen. Onder andere omdat er veel woningen achter de dijk staan. Wel denken wij dat het bij een paar trajecten was gebleven, omdat de opstalschade aan eengezinswoningen maar één van de vele schadecomponenten in het nationale schademodel is. En omdat de kosten voor dijkverhogingen ook sinds die tijd zijn toegenomen.”
“Wij zien dat ook financiële instellingen de schade onderschatten. Dat geldt, eerlijk gezegd, meer voor (centrale) banken en vermogensbeheerders dan voor verzekeraars. De verzekeringssector rekent al een tijdje niet meer met het nationale schademodel om de financiële buffers en de premies te berekenen. Zij hebben meteen na de overstroming diverse onderzoeken laten doen en hun modellen bijgesteld. Banken gebruiken dat nationale model nog wel. Bijvoorbeeld om het kredietrisico bij een hypotheek in kaart te brengen. En natuurlijk hebben wij ons model gemaakt in de hoop dat deze organisaties het ook gaan gebruiken. Wij denken dat ons model accurater is dan het nationale. Daarom werkt Deltares nu aan een update van het nationale model. Samen met Deltares en de VU hebben wij financiële instellingen daarvan op de hoogte gebracht. Via een memo en het Dutch Climate Risk portal. Ook adviseren wij gebruikers om altijd alert te zijn op het zogenoemde model-concentratierisico. Dat is het risico dat je loopt als je voornamelijk op één model vaart, dat een grote onzekerheid kent en waarbij eventuele fouten een grote impact hebben op cruciale besluitvorming, zoals bij dijknormeringen en kredietrisicoberekeningen. Om die model-concentratierisico’s te voorkomen, doe je er daarom goed aan het model accuraat te houden. Liefst door een regelmatige controle en update met recente data. Het risico bestaat namelijk alleen als het model daadwerkelijk fouten kan maken. Andere remedie is om meerdere modellen te gebruiken en een spreiding aan te brengen. Daarom wordt er bij dijknormeringsberekeningen nu al een fikse risico-opslag ingecalculeerd. Boven op de schadeberekeningen van het model wordt vaak nog zo’n zestig procent extra schade meegenomen.”
“Verzekeraars gebruiken zelf al heel lang zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden om dit soort risico’s in te schatten. Ze besteden daar veel aandacht aan, ook omdat de inzichten in de loop der tijd steeds veranderen. Maar, naast het feit dat dit soort berekeningen enorm complex zijn, blijven verzekeraars ook zitten met veel onzekerheid. Ons model kan verzekeraars helpen om het risico van overstroming en voornamelijk van schade door overstroming beter in te schatten.”
“Bij Achmea heb ik meerdere collega’s die heel betrokken zijn bij de klimaatverandering en geïnteresseerd zijn in academisch onderzoek. Zij zagen het belang in van het opleiden van een onderzoeker via een PhD-traject, omdat ze daarmee meer kennis kunnen creëren. Dat komt Achmea ten goede, en inderdaad ook andere organisaties. Zo kunnen bijvoorbeeld NN en a.s.r. straks gewoon meelezen en dat is precies de bedoeling. Wij vinden het belangrijk om dit soort informatie beschikbaar te maken, zodat iedereen ervan kan leren. In de relatief korte tijd die ik hier nu werk, durf ik wel te stellen dat het klimaat en duurzaamheid (ook sociale duurzaamheid) in het DNA van Achmea zitten. We zijn een groot voorstander van waardecreatie en het delen van kennis. En eerlijk is eerlijk, er is in de academische wereld al veel kennis over klimaatverandering, maar er zijn andersom nog genoeg lacunes, die we alleen maar kunnen oplossen als de academische wereld meer toegang krijgt tot verzekeraars. Waaronder de toegang tot verzekeringsclaims, die kunnen helpen bij het inschatten van de schade. Voor mij was het een mooie primeur dat ik de data via het Data Analytics Centre en Stichting CIS heb mogen gebruiken.”
“Ik denk dat het heel belangrijk is als er meer aandacht komt voor het mogelijk stilvallen van de golfstroom, de zogenoemde AMOC (Atlantic Meridional Overturning Circulation). Het klimaatsysteem bestaat uit een heleboel componenten. Een daarvan die een belangrijke invloed heeft op ons klimaat, is deze warme golfstroom. Wetenschappers denken dat door de opwarming van de aarde er een kans is dat die golfstroom kan afzwakken of zelfs kan stilvallen. Als dat gebeurt, wordt het bij ons veel kouder dan dat het nu is. Dan zullen de stormen in de winter, zoals Ciara uit 2020, zowel in frequentie als in intensiteit enorm toenemen. Daarom denk ik dat het verstandig is om niet alleen naar de opwarming van de aarde, maar ook naar de afkoeling te kijken. Met onderzoek, maar ook in de dagelijkse realiteit.”
Tekst: Miranda de Groene - Beeld: Ivar Pel