Tot eind juni was hij nog de voorzitter van het Verbond van Verzekeraars, maar nu heeft Jos Baeten ook dat stokje overgedragen. In een persoonlijk portret blikt hij terug op zijn afscheid bij a.s.r., zijn lange loopbaan bij het Verbond, maar ook op zijn grote hobby’s: fotografie en meubels maken. “Er lag vroeger bij ons thuis altijd een camera voor het grijpen.”
Het gesprek vindt plaats op het kantoor van a.s.r in Utrecht. De ochtend-outfit die hij tijdens de fotoshoot droeg, een spijkerbroek met overhemd en gympen, heeft plaatsgemaakt voor een pak met das. “Vanmiddag is het afscheid van mijn secretaresse Ellen. Daar wil ik uiteraard bij zijn, maar verder ben ik hier zo min mogelijk. Het is vertrouwd en gek om hier te zijn. Ik ben thuis en tegelijkertijd hoor ik er niet meer bij.”
Een brede lach breekt door. “Ik ben heel relaxed hoor. En het is goed zo. Ik heb er zelf voor gekozen en kijk uit naar de tijd die komen gaat.” Zodra het woord ‘fotografie’ valt, inclusief de vraag waar zijn fascinatie vandaan komt, steekt hij van wal. “Ik ben van nature heel nieuwsgierig. Dat was ik als kind al. Ik was een jaar of elf toen ik een keer alleen thuis was en op onderzoek uitging. Ik zocht in alle kasten naar cadeaus en vond uiteindelijk een lichtbruin tasje, met een oude houten Kodak-camera.”
Niet lang daarna gaat de 11-jarige Jos op schoolreisje naar Rotterdam. “Van mijn moeder kreeg ik de camera, met één rolletje mee. Goed voor negen foto’s. Ik heb in de Rotterdamse haven mijn eerste foto’s gemaakt. Acht van klasgenootjes op een rondvaartboot en eentje van een boot die toevallig voorbijkwam. Veel mensen geloven me niet als ik dit verhaal vertel, maar het is echt gebeurd. Op de zijkant van die boot stond op een groot spandoek: 250 jaar Stad Rotterdam Verzekeringen. Hij bleek vol te zitten met relaties en tussenpersonen.”
Sinds die tijd heeft Jos altijd een camera gehad die hij overal mee naar toe neemt. “Of ik nou ga wandelen, op vakantie ben of voor een roadshow in het buitenland verblijf, mijn camera gaat mee. Ik ben voor a.s.r. veel in New York geweest. Als de rest naar bed was, ging ik nog twee uur de stad in. Avondfotografie vind ik echt prachtig. Het heeft iets mystieks. Je moet het doen met de verlichting die er is. Een lantaarn of het licht van een etalage. Dat geeft een totaal ander beeld dan overdag.”
De liefde voor fotografie is hem met de paplepel ingegoten. “Mijn moeder was de fotograaf bij ons thuis. Zij heeft altijd veel foto’s van mij en mijn broers en zussen gemaakt. Ik heb heel veel foto’s van mezelf, als kind, maar ook als baby. Er lag bij ons altijd een camera in huis.”
Hij fotografeert zelf liefst in zwart wit. “Dat is het meest authentiek. Kleur leidt af van wat je wilt vertellen. Vanmorgen was ik met de fotograaf aan het werk en had ik zowel mijn kleuren- als mijn zwart-witcamera bij me. Ik heb stiekem ook een foto van hem gemaakt en dan valt meteen op dat de contrasten en tegenstellingen in zwart wit veel mooier zijn.”
Hij pakt zijn mobiel en laat twee foto’s zien. De zwart-witte die hij van de fotograaf heeft gemaakt. En een gekleurde van een dame die daar toevallig liep en hem opviel, omdat ze zo mooi gekleed ging. “Ik geef toe dat die in kleur wel mooier is, maar dat komt door haar kleding”, zegt hij lachend.
Het was de fotograaf die ochtend ook meteen opgevallen toen hij op de afgesproken plek in Utrecht aankwam en Baeten aan het werk zag. Hij fotografeert graag mensen. “Ik houd van mensen. Het mooiste is om door een stad te lopen en te zien wat er op je pad komt. Een gouden wet in de fotografie is: je moet ’m maken als je het ziet. Als je mij nu vraagt wie of wat ik nog wel eens voor mijn lens zou willen hebben, dan kies ik voor Barack Obama. Ik volg hem op Instagram en vind hem een inspirerend persoon. Liefst zou ik hem samen met Michelle fotograferen, maar dan niet geposeerd. Gewoon spontaan, met zijn drieën door een stad slenteren waar niemand hen kent. En dan maar zien wat er gebeurt.”
Fotografie is een vorm van contact leggen, zonder woorden. Maar het moet je wel overkomen, vindt Baeten. “Als je specifiek op pad gaat om een goede foto te maken, wordt het niks. In die zin kijk ik niet uit naar mijn pensioen. Ik heb veel in New York gefotografeerd, omdat ik daar toch moest zijn voor mijn werk. Als ik nu in NY wil fotograferen, moet ik ernaartoe. Dat is toch anders.”
Zijn mooiste foto maakte hij in Italië, vanaf een terras. “Het is een foto van een Italiaanse bruiloft en toevallig kwam er een hollend kind voorbij. Die foto vertelt voor mij, samen met een foto van kaartende mannen die twee tafeltjes verderop zaten, het verhaal van Italië. Het is bijna een filmisch beeld.”
Beide foto’s hangen op de tentoonstelling Door de ogen van Jos, die op de eerste etage van het kantoorgebouw is ingericht. Een idee van conservator Sigrid Vegter die bij a.s.r. de kunstcollectie beheert. “Ik mocht voor mijn afscheid 25 foto’s uit de a.s.r.-collectie kiezen en 25 uit mijn eigen collectie. Een lastige klus, maar gelukkig mocht ik uiteindelijk 35 foto’s van mijn eigen collectie kiezen.”
Hij zegt het niet geheel zonder trots, want bij 34 van de 35 kon hij precies, zonder te spieken, aangeven waar en wanneer hij die had gemaakt. Inclusief het verhaal dat erachter zit.
Zijn liefde voor fotografie is bekend, zeker na zijn afscheid bij a.s.r. en alle interviews die hij voorheen heeft gegeven. Minder bekend is zijn andere hobby: meubels maken. Volgens hem komt dat, omdat hij er lang geen tijd voor had. “Toen mijn vrouw Gerda en ik trouwden in 1980, heb ik alle meubels voor onze slaapkamer zelf gemaakt. Na ons trouwen is dat verwaterd, totdat ik tijdens corona wel wat avonden overhad. Mijn zoon en aanstaande schoondochter gingen in die periode samenwonen en toen heb ik in een spontane bui voorgesteld om alle meubels voor de woonkamer te maken. Inmiddels ben ik zelfs aan het restaureren geslagen, met de meubels van mijn moeder, die is verhuisd naar een verzorgingshuis.”
Hij maakt gebruik van uitermate scherp gereedschap dat opperste concentratie vergt. “Ik denk dat dat het is wat me zo aantrekt. Ik ben dan compleet gefocust, vergeet alles om me heen en maak mijn professionele hoofd leeg. Heerlijk!”
Baeten komt over als een bescheiden man. Niet zo gek, want ook dat heeft hij van jongs af aan meegekregen. “Thuis leerde ik al om normaal te doen. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. En later leerde ik van mijn vroegere leermeester Carlo de Swart: het gaat om de tent, niet om de vent. Voor mij heeft altijd de menselijke maat vooropgestaan. Bij elk besluit dat ik heb genomen. Het zijn de mensen binnen een bedrijf die het succes bepalen. Niet ik.”
Wellicht verschoot hij daarom ook van kleur, toen hij tijdens zijn afscheid bij a.s.r. ineens de burgemeester binnen zag komen. “Ik zag het absoluut niet aankomen en vond het eigenlijk best ongemakkelijk. Ik kan prima voor een zaal met tweeduizend man een verhaal over verzekeren houden, maar dan gaat het niet om mij. Ik houd er niet van om in het middelpunt te staan. Liefst zou ik die onderscheiding opdragen aan de medewerkers, want je bent als CEO niet het middelpunt, dat is het bedrijf.”
Het verhaal is al vaker opgeschreven. Zeker in de laatste maanden. Bij a.s.r. heeft Baeten een mooie lange loopbaan genoten en veel meegemaakt. Maar wat veel mensen niet weten, is dat hij ook decennialang bij het Verbond diverse functies heeft bekleed. Hij is in 1991 begonnen bij de commissie Brand, die toen nog in Bilthoven zat. “Ik herinner het me als de dag van gisteren. Ik was 33 jaar, net tot directeur Schade benoemd bij Stad Rotterdam en dacht: wat gebeurt hier? Het Verbond was heel formalistisch en je kunt het nu nauwelijks meer geloven, maar we spraken in een vergadering ook gewoon over de adequaatheid van het premieniveau.”
Omdat Baeten al vrij jong tot directeur is benoemd, is hij ook vrij jong in het Verbondsbestuur terechtgekomen. En is daar in totaal ruim twintig jaar gebleven. “Of er veel veranderd is sinds 2005?”, herhaalt hij breed lachend de vraag. “Wat dacht je van ‘alles’. Toen ik in het bestuur kwam, spraken we over de grote zeven die dominant waren vertegenwoordigd in het Verbond. Nu zijn dat drie grote algemene verzekeraars, één gespecialiseerde en daarnaast zitten er ook middelgrote en kleine(re) verzekeraars in het bestuur. Dat geeft echt een totaal andere dynamiek. Ik heb zelfs de tijd nog meegemaakt dat een van de grote verzekeraars omstebeurt een groot kerstfeest organiseerde voor alle raden van bestuur. Met partner en vooral met alles erop en eraan. Ik heb ooit een feest van Delta Lloyd meegemaakt, met band en sterrenchefs die voor ons gingen koken. Die kerstfeesten waren big happenings, waarbij we elkaar ook wel eens de loef wilden afsteken. Na de financiële crisis is dat nooit meer gebeurd. We hebben in die crisis als sector een les in bescheidenheid gekregen.”
Hij benadrukt dat ook de tone of voice in de loop der jaren is veranderd. “Het masculine van vroeger is weg. Er wordt nu veel meer naar elkaar geluisterd. Er is ruimte voor iedereen. Het bestuur is veel inclusiever geworden. En laten we welwezen, het gaat ook ergens over. De thematiek waarmee we als sector te maken hebben, is veel maatschappelijker gedreven. Hoe lossen we het dossier beleggingsverzekeringen op? Wat doen we met potentiële onverzekerbaarheid van overstroming? Hoe positioneren we ons in het pensioendebat? Hoe zorgen we ervoor dat Nederland op het terrein van sociale zekerheid verzekerbaar blijft? Ik kan nog wel even doorgaan, maar de boodschap is helder. We doen er als sector toe. En, voor mij niet onbelangrijk, er is tegenwoordig ook ruimte voor een grap en een grol.”
Hij kijkt peinzend voor zich uit. “Ik stond er altijd om bekend dat ik best kritisch kon zijn op het Verbond, maar ik heb een mooie tijd gehad. Ik ben vooral de laatste jaren genuanceerder geworden en dat komt vooral doordat ik als voorzitter dichter op de materie zat. Ik ben er trots op wat wij met het Verbond voor onze sector doen en bereiken. Gisteren ben ik bijvoorbeeld bij minister Hans Vijlbrief voor het WIA-dossier geweest. Ik merk daar dat het Verbond en de medewerkers er heel goed opstaan. Als ik zie hoe makkelijk wij toegang krijgen tot ministers en topambtenaren, maar ook tot de vakbonden, VNO-NCW en andere stakeholders, dan is het Verbond echt wel een toonaangevende vertegenwoordiger van de sector. Dat merk je niet als je op afstand staat, maar wel als je dicht bij het vuur zit. Dan merk je pas dat de rol van het Verbond voor verzekeraars superbelangrijk is. Dat moeten we echt koesteren.”
Die rol van het Verbond vat hij in één woord samen: lobby. “Of het nou om het pensioendossier gaat, de WIA, over letselschade of over overstromingsrisico’s, het stakeholderveld is enorm complex. Als ik dan het gemak zie waarmee Richard (Weurding, algemeen directeur) verbindingen legt met allerlei verschillende stakeholders en daar de inhoudelijkheid van Harold Herbert op het pensioen- en inkomendossier en Geeke Feiter aan de schadekant bij optel, dan staat er een heel sterke belangenorganisatie. Dat belang mogen de leden nooit onderschatten, want als ik één ding heb geleerd in mijn lange loopbaan is het wel dat je kunt denken dat je alleen misschien sneller gaat, maar samen kom je echt verder.”
Het kiezen van ‘zijn mooiste foto’ noemt Baeten ondanks zijn eerdere antwoord “uiteindelijk een onmogelijke keuze”. Maar we hebben nog enkele gewetensvragen voor hem in petto. Te beginnen met ‘de leukste periode bij het Verbond’?
“Die vind ik minder moeilijk. Dat is voor mij de periode rondom de nieuwe Pensioenwet geweest. We hebben met elkaar geknokt en daar echt het verschil kunnen maken. En eerlijk is eerlijk: het is ook leuk als het succesvol is. Als ik zie wat we op het pensioendossier hebben bereikt, dan mogen we daar best trots op zijn.”
Wat hij ‘minder leuk’ vond, was de discussie rondom het intermediair en het provisieverbod. “Ik snap heel goed dat er een provisieverbod op complexe producten is gekomen. Maar een provisieverbod op schade? Als ik nu kijk naar de verzekeringsdichtheid in wijken met een sociaaleconomische achterstand, dan schrik ik. Hetzelfde geldt voor jonge mensen. Nut en noodzaak van ons verzekeringsproduct zijn vaak onbekend. En ik durf niet te verdedigen dat provisie bij schadeproducten een drijfveer is. Provisie is daar een middel om advies toegankelijk te maken. Laat ik het zo zeggen: we moeten voorzichtig zijn dat we het kind niet met het badwater weggooien.”
Tijd voor een laatste anekdote of ontboezeming. “Een beetje zelfspot kan geen kwaad. Ik ben vaker gevraagd om voorzitter van het Verbond te worden en heb de boot vaak afgehouden. Ik had er eigenlijk gewoon geen zin in, maar toen ik twee jaar geleden wel ja heb gezegd, omdat ik vond dat ik niet weer nee kon zeggen, had ik nooit verwacht dat ik het zo leuk zou vinden. Heb ik op mijn oude dag toch nog eens mijn ongelijk moeten bekennen. Dan moet ik wel heel hard om mezelf gniffelen.”
(Tekst: Miranda de Groene - Beeld: Ivar Pel)