Skip to Content
Rosa.Header

Ze houdt niet van lijstjes en rangschikkingen. “Ik snap dat iedereen graag wil weten welke casus de meeste impact op me heeft gehad, maar elk slachtoffer heeft een eigen verhaal.” Rosa Jansen was bijna tien jaar bestuursvoorzitter van Slachtofferhulp Nederland en de Stichting Perspectief Herstelbemiddeling. Tijdens een mini-symposium, waarin is teruggeblikt op haar werk voor slachtoffers, nam ze afscheid.

Het interview vindt al eerder, half oktober, plaats. Op het kantoor van Slachtofferhulp Nederland en Perspectief Herstelbemiddeling dat in Utrecht is gevestigd. Het is vrijdagmiddag. Rosa Jansen zit er helemaal klaar voor en schuift haar laptop aan de kant. “Ik ben bezig met een soort afscheidstournee en ga alle locaties in het land af. Gisteren was mijn elfde afscheid. We hebben elf districten en een hoofdkantoor, dus ik heb er nog één te gaan. Zullen we elkaar trouwens gewoon tutoyeren? Dat praat een stuk makkelijker.”

Nog lang niet klaar

Het zegt veel over Rosa Jansen dat ze van iedereen persoonlijk afscheid wil nemen, zowel van de vrijwilligers als de betaalde krachten. Ze houdt van persoonlijk contact. “Ik zal deze organisatie enorm missen. Het afscheid is een beetje dubbel. Ik heb hier bijna tien jaar gewerkt en kijk er met veel plezier op terug. We hebben veel kunnen doen, maar het is ook tijd voor iets anders. Als bestuurder moet je blijven nadenken over je eigen houdbaarheid. Tien jaar is mooi.”
Toch is ze nog lang niet klaar met de hulp aan slachtoffers. Ze heeft voor minstens nog tien jaar ideeën en die kan ze mooi kwijt in Europa. “Ik ga door bij Victim Support Europe. Een mooie overgang vind ik, om van nationaal naar Europees en internationaal verband verder te gaan met de onderwerpen die me hier ook al jaren bezighouden.”

Persoonlijk paspoort

Rosa Jansen was tot voor kort bestuursvoorzitter van Slachtofferhulp Nederland en de Stichting Perspectief Herstelbemiddeling. Daarvoor heeft ze een lange carrière in de rechtspraak achter de rug, onder meer als rechter bij diverse rechtbanken.
Rosa Jansen blijft na haar afscheid bij Slachtofferhulp Nederland actief als President van Victim Support Europe (VSE) in Brussel.

Je gaat dus niet achter de geraniums zitten?

“Nee, dat is ook niet goed voor me. Ik blijf President van de VSE en geef leiding aan een internationaal gezelschap. Er staan veel belangrijke onderwerpen op die internationale agenda. Zo is er het afgelopen jaar een aantal Europese richtlijnen verschenen, waaronder een minimum standaard voor slachtoffers, maar ook een richtlijn mensenhandel en één over geweld tegen vrouwen. Die richtlijnen moeten uiteindelijk allemaal terechtkomen in Nederlandse wetgeving en dat lukt niet van de ene op de andere dag. Daar wil ik me graag hard voor maken.”

Je zegt het zelf af: je gaat internationaal door om het nationale vooruit te helpen?

“Klopt. En laten we wel wezen, veel zaken zijn al internationaal. Bijvoorbeeld als je het hebt over online criminaliteit, dat vaak over de landsgrenzen heen gaat. Bovendien reizen mensen veel meer dan vroeger en worden in het buitenland ook wel eens slachtoffer. Wij zitten wat dat betreft met Slachtofferhulp Nederland al langer in een Europees en internationaal netwerk om overal op de wereld slachtoffers te kunnen ondersteunen.”

Er zijn wereldwijd veel verschillende slachtofferorganisaties die zijn aangesloten bij VSE. Hoe doet ons land het? Lopen we voorop?

“Slachtofferhulp Nederland wordt als organisatie gezien die goed heeft nagedacht over die hulp. We krijgen regelmatig delegaties op bezoek die komen kijken wat we doen en hoe. Wij kunnen mensen die slachtoffer zijn geworden snel helpen. We hebben geen wachtlijsten en alleen al daarin zijn we vrij uniek in de wereld. Tegelijkertijd bieden we zowel juridische als psychosociale ondersteuning. Daarnaast verzorgen we ook lotgenotencontacten en bijstand in de media als dat nodig is. Dat is vrij compleet, terwijl het in andere landen vaak nog versnipperd is. Pas was er een bestuurder van Victim Support New Sealand bij ons bezoek en hij postte na afloop op LinkedIn: ‘Ik heb al jaren een droom over de aanpak van slachtofferhulp. In Nederland zag ik dat die droom al bestaat’. Een leuk bericht voor ons prikbord dat me trots maakt!”

"Wij kunnen mensen die slachtoffer zijn geworden snel helpen. We hebben geen wachtlijsten"

Wat is zijn specifieke droom?

“Hij was vooral onder de indruk van de laagdrempelige manier waarop wij onze slachtofferhulp organiseren. Dat blijkt ook wel uit de cijfers. Tachtig procent van alle slachtoffers is binnen zes tot acht weken weer redelijk op de been. Niet dat het verdriet en de ellende dan zijn opgelost, maar mensen kunnen wel verder. Bij die andere twintig procent gaat het vaak om zware misdrijven als moord, doodslag en verkrachting. Ik weet nog wel toen ik hier binnenkwam dat iemand het had over nuldelijns dienstverlening. Toen vond ik dat wel als heel weinig klinken, maar als je het nu in het Nederlandse systeem plaatst (met de huisarts als eerstelijnshulpverlening) is het eigenlijk heel logisch.”

Zijn wij de beste in de wereld?

“Lastige vraag. Ik wil graag de beste te zijn, maar het eerlijke antwoord is dat wij ook van anderen kunnen leren. In Ierland hebben ze bijvoorbeeld een mooi systeem van opvang in de gerechten. Wij hebben voor een andere aanpak gekozen waarbij we iedereen waarmee we samenwerken meenemen in het juiste taalgebruik. Je kunt soms een simpel woord gebruiken dat heel pijnlijk kan landen. Wij proberen daarom alle partners, organisaties en stakeholders bewust te maken van het belang van slachtoffergeletterdheid. Gaandeweg zien we dat dat nu zijn vruchten begint af te werpen.”

"Ik weet dat veel slachtoffers een hekel hebben aan de vraag: heb je het al een plekje gegeven?"

 

Wat is een goed voorbeeld van slachtoffergeletterdheid? Wat moet je vooral niet zeggen of doen?

“Ik weet dat veel slachtoffers een hekel hebben aan de vraag: heb je het al een plekje gegeven? Zeker bij ernstige zaken landt zo’n vraag als een kanonskogel. Slachtoffer zijn is ook geen nieuwe identiteit. Je bent geen slachtoffer, maar slachtoffer geworden. Bovendien zijn slachtoffers veerkrachtige mensen. Behandel ze in ieder geval als een volwassene en realiseer je wat ze hebben meegemaakt. Iemand die getraumatiseerd is, kan informatie minder snel tot zich nemen.”

Je hebt hier bijna tien jaar gewerkt. Wat vind jij een mijlpaal? Waar ben je echt trots op?

“In de afgelopen tien jaar zijn we in staat gebleken meer slachtoffers te helpen. Toen ik hier binnenkwam, hielpen we ongeveer 140.000 mensen per jaar. Nu zijn het er 1,2 miljoen. En helaas zijn er meer slachtoffers bijgekomen, maar het is vooral te danken aan het feit dat wij onszelf beter organiseren. We hebben 850 vrijwilligers en bijna 680 betaalde medewerkers aan het werk, variërend van 18 tot en met 87 jaar. We zijn nadrukkelijker gaan kijken wat we samen kunnen doen. Hoe kunnen we het online contact verbeteren en mensen beter ondersteunen? Ik ben zelf altijd erg onder de indruk van het feit dat mensen vernieuwingen omarmen, ongeacht functie, opleiding of leeftijd. Ik ben in 2017 hier binnengekomen. Ruim twee jaar later hadden we met Corona te maken. Een ingewikkelde tijd, maar toen merkte ik al dat wij gewend zijn aan crises. Als er een tram ontspoort of een ramp plaatsvindt, moeten we er ook zijn. De samenleving ontwikkelt zich, en wij ook. Ik vind het mooi dat we in staat zijn om onszelf scherp te houden.”

"De stem van het slachtoffer ligt hier op tafel"

Hoe ben je eigenlijk bij Slachtofferhulp Nederland terechtgekomen? 

“Ik was rechter en heb op zittingen veel slachtoffers gezien en gesproken. Op een gegeven moment vond ik dat we op een aantal punten tekortschoten, bijvoorbeeld in de informatievoorziening die in mijn ogen veel beter kon. Ik vond dat we iets moesten doen, en als je dat vindt, moet je ook uit je comfortabele positie durven stappen. Dat heb ik gedaan. Alsof het zo moest zijn, was er ineens een vacature en heb ik gesolliciteerd.”

Nooit spijt van gehad?

 “Nee, hoewel mensen me in het begin wel raar hebben aangekeken. Je bent rechter. Waarom doe je dit? Ik antwoordde dan altijd dat het nodig was. Ik wilde mijn ervaring vanuit een ander perspectief opnieuw leren bekijken. En eerlijk? Dat heb ik geweten. Groot verschil is dat je als rechter letterlijk zit. Met een toga aan ben je vrij anoniem. Dat is hier niet. Hier zitten slachtoffers aan tafel. Als wij iets besloten hebben, krijgen we een vraag terug. Realiseren jullie je wel wat dat voor mij betekent? Of voor mijn familie? De confrontatie is veel harder. En terecht. De stem van het slachtoffer ligt hier op tafel.”

Wat was er anders geweest als je die ervaring als rechter niet had gehad?

“Dan had ik de belangrijke inbreng vanuit de rechtspraak niet kunnen inbrengen. Het is een wisselwerking. Ik kan uitleggen waarom een rechter bepaalde dingen doet. En ik kan mensen uitleggen dat je een rechter ook gewoon een brief kunt sturen als dingen niet goed zijn gegaan. Bovendien ben ik juridisch goed onderlegd, waardoor ik het gesprek met de rechterlijke macht kan voeren. De lijntjes zijn kort, ook naar de politie en het Openbaar Ministerie. Neem als voorbeeld dat wij enorm hebben gestreden voor anonimisering in dossiers. Je kunt het je waarschijnlijk nauwelijks nog voorstellen, maar tot niet zo lang geleden kregen wij strafdossiers met alle (persoons)gegevens, inclusief foto’s van slachtoffers. Na een zedenzaak kon een verdachte bij wijze van spreken de foto’s bekijken. Gelukkig zijn de persoonlijke gegevens eruit en is het via de Tweede Kamer een wet geworden. Ander voorbeeld is dat wij van nabestaanden hoorden dat ze na een moord, als het lichaam naar het Nederlands Forensisch Instituut was gebracht, maar zelf moesten zien hoe het weer terugkwam. Met veel extra kosten. Praktische dingen, maar wel heel belangrijk, die wij zowel in het juridische als het psychosociale vlak proberen te verbeteren.”


"Het grote verschil tussen een dader en een slachtoffer is dat die laatste er nooit om heeft gevraagd om in een strafzaak terecht te komen"

 

In ons land wordt vaak geroepen dat een dader beter wordt beschermd dan het slachtoffer. Terecht? 

“Wij hebben nog steeds een dadergericht strafproces. Alles is gericht op die dader en een veroordeling, terwijl er wat mij betreft meer oog mag zijn voor de behoeften van het slachtoffer. Het grote verschil tussen een dader/verdachte en een slachtoffer is en blijft dat die laatste er nooit om heeft gevraagd om in een strafzaak terecht te komen. Dat vergt extra zorgvuldigheid van de hele samenleving. De stem van het slachtoffer moet in het strafproces te horen zijn.”

Wat moet er als eerste gebeuren?

“Ik denk nog steeds dat een beter slachtofferbewustzijn ervoor zorgt dat je veel dingen vooraf kunt afvangen. Denk aan een goede informatievoorziening tijdens het strafproces en het managen van verwachtingen. Beloof niet dat een zaak op zitting komt als je het niet zeker weet. Beloof niet dat je binnen zes weken reageert als je dat vervolgens niet doet. Beloof niet dat je het laat weten als iemand in vrijheid wordt gesteld en het dan niet doet. Consequent zijn in wat je doet, helpt al enorm. En als een zaak niet op zitting komt, helpt het als er goede parallelle voorzieningen zijn. Ik vind bovendien dat er nu te snel en te makkelijk naar het ministerie van Justitie wordt gekeken, terwijl de hele samenleving daarin een verantwoordelijkheid heeft. Kijk naar wat een slachtoffer nodig heeft.  Misschien helpt vroegtijdige psychologische hulp, een maatschappelijk noodfonds, hulp van banken bij fraude of een schadevergoeding van de verzekeraar.”

Over schadevergoeding gesproken, wat verwacht je van verzekeraars? Wat is hun rol?

“Ook verzekeraars kunnen vaker hun vinger opsteken. Als een zaak buiten het strafproces is gebleven, kunnen zij zichzelf ook afvragen of ze nog wat kunnen doen. Dat kan variëren van het in het leven roepen van een nieuwe verzekering voor uitgaansgeweld, maar ze kunnen ook een noodfonds creëren, bijvoorbeeld voor zaken waarvoor geen verdachten worden opgepakt, en op die manier een maatschappelijke bijdrage leveren. Nu wordt er vooral naar de overheid gekeken, maar het is niet alleen een overheidskwestie dat achttien miljoen mensen het risico lopen om slachtoffer te worden.”

"Standaardisering is prima, maar houd wel de mens in de gaten. Niet elke pink of hand is hetzelfde"

Verzekeraars werken onder andere aan meer uniformiteit, bijvoorbeeld bij lichtere letselschades. Helpt meer standaardisering slachtoffers vooruit? 

“Standaardisering is prima, maar houd wel de mens altijd in de gaten. Niet elke pink of hand is hetzelfde. Een lichtere zaak voor verzekeraars is voor een slachtoffer niet altijd een lichte zaak. Ik hoop daarom dat verzekeraars dat slachtofferperspectief voor ogen houden. Wij hebben verzekeraars aangeboden om ons daarbij te betrekken. Misschien kunnen wij de gesprekken wel van ze overnemen, eventueel aangevuld met herstelbemiddeling. Als zij er dan voor zorgen dat iemand financieel of anderszins goed wordt ondersteund, doen we allemaal waar we goed in zijn.”

Je hebt bijna tien jaar met verzekeraars, het Platform Personenschade en andere partijen samengewerkt. Hoe kijk je daarop terug? 

“Ik heb tijdens een PPS Congres wel eens gezegd dat ik hoopte dat de schade sneller werd uitbetaald dan dat ie werd aangericht. Iedereen moest daar toen om lachen, maar het was wel wat ik bedoelde. Ik vind nog steeds dat een slachtoffer te veel moet doen om een uitbetaling te krijgen. Zo moet een slachtoffer onder meer zijn eigen bewijs aanleveren, terwijl je mag verwachten dat een verzekeraar gelijk in actie komt als er iets is gebeurd. Je hebt jaren premie betaald en bent cliënt van een verzekeraar. Mensen hebben vooral in het begin behoefte aan vertrouwen en nu zit er een soort omkering van de bewijslast in. Dat is gelukkig niet bij alle verzekeraars zo, maar in zijn algemeenheid is er nog steeds tijd en vertrouwen te winnen.”


"Het liefst zou ik een ranking of vergelijkingssite willen hebben op een onafhankelijke plek"

 

Is er in die tien jaar veel veranderd in de samenwerking met verzekeraars?

“Zeker. Hoewel ik niet bij nul ben begonnen. Er was al een vorm van samenwerking toen ik in 2017 bij Slachtofferhulp Nederland begon, maar ik zie wel degelijk een ontwikkeling in de afgelopen tien jaar. Ook doordat ik lid ben van het bestuur van De Letselschade Raad (DLR) merk ik dat de lijnen kort zijn. We hebben veel contact. Casuïstiek is heel makkelijk bespreekbaar. We stellen ook samen protocollen op. Er is een steeds professionelere en intensievere samenwerking en dat is superfijn. Bovendien hebben we in DLR een gezamenlijk keurmerk opgesteld, waarmee we de kwaliteit kunnen beschermen. Ik hoop dat we het keurmerk nog naar een hoger niveau kunnen tillen. Het liefst zou ik een ranking of vergelijkingssite willen hebben op een onafhankelijke plek. Dan krijg je de eerlijkste feedback op belangenbehartigers en op verzekeraars. Cliënten die feedback geven, zijn nog steeds cliënten die in je geloven. Anders sturen ze geen klacht in.”

Heb je nog andere tips voor verzekeraars? Wat kunnen ze anders/beter doen?

“Hun cliënten vertrouwen. Mensen lopen geen schade op om vervolgens de verzekeraar op te lichten. Ze willen gewoon goed en snel worden bediend. En dat hoeft niet altijd een uitbetaling te zijn. Laat ze niet te lang in de wachtstand staan. En tot slot is de samenwerking in de keten belangrijk. Kwaliteitseisen moeten worden vastgelegd, misschien wel in de wet. Ik lees nog steeds regelmatig over dubieuze praktijken bij belangenbehartigers. Dat zijn wel mensen die in de letselschadebranche slachtoffers bedienen, terwijl we weten dat het niet goed gaat. Daar zouden wij, bijvoorbeeld vanuit De Letselschade Raad, hard tegen moeten optreden. Een slachtoffer mag nooit twee keer slachtoffer worden.”

Tekst: Miranda de Groene - Beeld: Ivar Pel