Recente (inter)nationale klimaatzaken laten zien dat de grenzen van aansprakelijkheid langzaam maar zeker opschuiven. Niet alleen staten, maar ook ondernemingen en hun bestuurders worden vaker aangesproken op hun rol in klimaatverandering. Wat betekent dat voor bedrijven, bestuurders en voor verzekeraars? Astrid van Noort en Anne-Mieke Dumoulin (BLD Ekelmans Insurance & Corporate) zetten tijdens de Klimaatmiddag bij het Verbond van Verzekeraars de belangrijkste ontwikkelingen en risico’s op een rij.
Normenkader
Van Noort begon de deelsessie (Nieuwe risico's: aansprakelijkheid van (verzekerde) ondernemingen voor klimaatverandering) met het opsommen van het normenkader. “Dat kader bestaat vaak uit geschreven normen. Denk maar aan het Raamverdrag van de VN, ook wel het Parijs-akkoord genoemd. Of de European Greendeal, met de CSRD- en CSDDD-richtlijnen, en de Europese Klimaatverordening. Op nationaal terrein hebben we onder meer te maken met de Nederlandse Klimaatwet. Die normen bieden houvast in de rechtspraak, maar ze zijn niet limitatief. Sterker nog, de rechter gaat in de praktijk vaker verder dan die normen en legt de lat dus nog hoger.”
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat officieel het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden heet, regelt de mensen- en burgerrechten voor alle inwoners van de verdragstaten. Het is op 4 november 1950 ondertekend in Rome. Sinds 1998 is het verdrag bindend voor alle lidstaten van de Raad van Europa. Belangrijke artikelen voor de aansprakelijkheid bij klimaatverandering zijn art. 2 (recht op leven) en art. 8, dat de burgers beschermt tegen willekeurige inmenging door de overheid en het recht op respect voor privé-, familie- en gezinsleden, de woning en correspondentie garandeert. Volgens Dumoulin is het recht op bescherming tegen klimaatverandering ook een mensenrecht is dat onder art. 8 valt. Dat is door de rechter bepaald. In art. 14 is het verbod op discriminatie geregeld.
Urgenda 20-12-2019
Dumoulin en Van Noort behandelden in vogelvlucht een aantal belangrijke rechtszaken op het terrein van klimaatverandering. Die ontwikkeling in de rechtspraak begon wat hen betreft met de Urgendazaak. Op 20 december 2019 oordeelde de Hoge Raad dat de Staat in strijd handelde met artikel 2 en 8 van het EVRM. “De Staat moet burgers beschermen tegen reële en voorzienbare gevaren, ook als het gaat om klimaatverandering. Het was een unicum", aldus Dumoulin, “omdat het de eerste keer was dat een Staat werd verplicht om de CO2-uitstoot te verlagen.”
KlimaSeniorinnen 9-4-2024
De tweede, ook historische zaak, die Van Noort vervolgens noemde, diende in 2024 voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De zogenoemde KlimaSeniorinnen in Zwitserland, een vereniging van 70-plussers, spannen een zaak aan tegen de staat, omdat ze zich zorgen maken over de gevaren van hitte. De dames hebben veelal last van hart- en vaatziekten en wijten hun hogere sterfkans aan het beleid van de Staat, omdat Zwitserland de klimaatverandering in hun ogen niet adequaat aanpakt. Van Noort: “Het Europees Hof ging in die redenering mee en hield Zwitserland aansprakelijk. Overigens is de eis van de vereniging wel ontvankelijk verklaard, maar de vordering van de individuele dames niet. Er was in deze zaak met andere woorden nog geen mogelijkheid om vergoeding van de eigen schade te vorderen, maar wij denken dat het een kwestie is van tijd voordat die kans zich aandient.”
Greenpeace 22-1-2025 en 28-1-2026
Naast de stikstofuitspraak van januari 2025, waarin de rechtbank heeft bepaald dat de Nederlandse Staat te weinig doet om de stikstofneerslag terug te dringen en zelfs voor het eerst een dwangsom heeft opgelegd, ging Dumoulin ook in op een overzeese zaak van Greenpeace. In deze zogenoemde Bonairezaak houdt Greenpeace de Staat ervoor verantwoordelijk dat de inwoners onvoldoende worden beschermd tegen de gevolgen van hitte, overstroming en andere gevaren die de klimaatverandering met zich meebrengt. “Greenpeace zegt dat Nederlanders in Europa beter worden beschermd dan de inwoners van bijzondere Nederlandse gemeente Bonaire en beroept zich op art. 14 van het EVRM. Greenpeace is in het gelijk gesteld en dat betekent dat deze zaak wel eens als precedent kan dienen voor bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk met hun kwetsbare overzeese gebieden.”
Müllner versus Oostenrijk
De laatste zaak, waarin een Staat aansprakelijk is gesteld, die Van Noort en Dumoulin bespraken, betreft die van de heer Müllner versus Oostenrijk. Müllner lijdt aan MS en hij claimt dat zijn klachten verergeren bij hoge(re) temperaturen. Hij houdt de Staat verantwoordelijk voor de fossiele subsidies die ze aan Oostenrijkse ondernemingen verstrekt. “Deze zaak is anders dan die van de KlimaSeniorinnen in Zwitserland, omdat het de deur opent naar claims op individueel niveau. Ook op letselgebied. Wij wachten de uitspraak daarom met spanning af", besloot van Noort.
Klimaatzaken tegen ondernemingen
In de deelsessie benadrukten zowel Dumoulin als Van Noort dat ook steeds meer bedrijven aansprakelijk worden gesteld voor klimaatschade. Zo noemden zij de zaak van Milieudefensie tegen Shell, waarin het Hof eind 2024 heeft bevestigd dat bescherming tegen klimaatverandering een mensenrecht is. Dumoulin: “Shell heeft een zorgvuldigheidsplicht tegenover burgers om de CO2-uitstoot te beperken. En hoewel Shell zegt aan de wettelijke eisen te voldoen en hard op weg is om de doelen van Parijs te halen, is ‘alleen de wettelijke regels volgen’ niet genoeg. Het Hof ging niet mee in de vordering van Milieudefensie dat de uitstootbeperking een bepaald percentage moet zijn. De zaak ligt nu bij de Hoge Raad, omdat Milieudefensie in cassatie is gegaan.”
ING
Actueel is de zaak van Milieudefensie tegen ING. Vorige maand is de conclusie van antwoord van ING verschenen: de rechter gaat zich nu in de zaak verdiepen, partijen horen en doet dan pas een uitspraak. Van Noort en Dumoulin volgen de zaak met extra interesse, omdat het de eerste keer is dat er in ons land een procedure in het kader van aansprakelijkheid voor schade door klimaatverandering wordt gevoerd tegen een financiële instelling. “Milieudefensie verwijt ING dat ze partijen financiert die niks of te weinig doen aan CO2-reductie. Ze houdt daarmee ING verantwoordelijk voor de impact op het klimaat en heeft een tweeledige eis neergelegd. De financiële portefeuille van ING moet gezond zijn. En als ING financiële middelen ter beschikking stelt, moet één van de voorwaarden ‘een goed klimaatplan’ zijn. In potentie betekent deze procedure dat alle financiële partijen, ook verzekeraars, een claim kunnen verwachten als ze (en de bij hen verzekerde bedrijven) te weinig doen om klimaatverandering tegen te gaan. Denk aan een autobedrijf, een vliegtuigmaatschappij of een reisbureau. Het wordt hoe dan ook een uitermate interessante uitspraak die verstrekkende gevolgen kan hebben.”