Vijf vragen over de Wet toekomst pensioenen

Op deze pagina is ook content beschikbaar exclusief voor leden, Log in om toegang te krijgen tot deze content

De nieuwe Wet toekomst pensioenen gaat niet op 1 januari 2022 in, maar (uiterlijk) op 1 januari 2023. Waarom wordt de wet uitgesteld? Wat zijn nog discussiepunten? En hoe ziet het proces er verder uit? Beleidsadviseur Daan Schmitz geeft antwoord op vijf vragen.

1. Waarom wordt de invoering van het nieuwe pensioenstelsel uitgesteld?

“De internetconsultatie die het ministerie van SZW begin dit jaar heeft uitgezet, heeft tot veel reacties geleid. Ik heb begrepen dat er zo’n 800 reacties zijn gekomen met ruim 1.400 pagina’s vragen, op- en aanmerkingen en kritiekpunten. Ook het Verbond heeft gereageerd. Het ministerie beziet nu hoe ze omgaat met deze reacties. Er zitten ook nog wat discussiepunten tussen waar de overheid en sociale partners overeenstemming over moeten bereiken. Al met al duurt het hele traject langer dan het ministerie had verwacht en is invoering op 1 januari 2022 niet haalbaar.”

2. Wat vindt het Verbond van Verzekeraars van dat uitstel?

“Wij denken ook dat uitstel noodzakelijk is. Als pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen op 1 januari 2022 helemaal klaar willen zijn voor het nieuwe stelsel, moeten zij zeker een half jaar voor de ingangsdatum starten met hun productontwikkeling, het inrichten van administratieve processen en het adviseren/begeleiden van hun klanten. Vooral het goed begeleiden van een werkgever bij het kiezen van een nieuw pensioencontract kost een aantal maanden. Dat zou betekenen dat rond deze zomer alle details van de nieuwe Pensioenwet in kannen en kruiken had moeten zijn en dat is simpelweg niet haalbaar gebleken.”

Beleidsadviseur Pensioenen Daan Schmitz

3. Wat zijn nu nog discussiepunten?

“Ik merk geregeld dat buitenstaanders het vreemd vinden dat er na al die jaren nog steeds discussiepunten zijn, maar zoals altijd zit the devil in the detail. Een van de allermoeilijkste punten betreft het nabestaandenpensioen. Kort samengevat wordt dat meer uniform in het nieuwe stelsel geregeld, maar er is nog niet uitgekristalliseerd hoe dat straks moet als een pensioendeelnemer/werknemer uit dienst treedt. Iemand kan werkloos worden, uit dienst gaan om een sabbatical te nemen of zzp’er te worden. Dat zijn allemaal voorbeelden waarbij een werknemer zijn werkgever (en dus de pensioenregeling) verlaat, maar nog onduidelijk is hoe het risico op overlijden precies moet worden geregeld. Moet iemand dan zelf (tijdelijk) het nabestaandenpensioen regelen of wil je dat collectief regelen in de tweede pijler? Misschien hoort zo’n risico nog wel meer in de eerste pijler thuis? Het is in ieder geval belangrijk dat dit soort ‘details’ eerst goed worden opgelost.”

4. Zijn er naast het nabestaandenpensioen nog meer discussiepunten?

“Zeker. Een ander belangrijk discussiepunt betreft de zzp’ers. Er is nog veel discussie gaande over hoe je zzp’ers kunt stimuleren tot voldoende pensioenopbouw. Om dit te realiseren wordt gewerkt aan zzp-experimenten. Alleen hebben de huidige voorstellen mogelijk consequenties voor de taakafbakening en marktordening, wat vraagtekens plaatst bij de houdbaarheid van de verplichtstelling. En de belangrijkste vraag is natuurlijk of de zzp-experimenten aansluiten bij de behoefte van zelfstandigen. Ik heb daar nog wel mijn vraagtekens bij. Daarnaast is voor pensioenfondsen het transitie FTK (Financieel Toetsingskader) een belangrijk onderwerp van gesprek. Hierin worden onder andere wettelijke financiële eisen vastgelegd hoe de fondsen tijdens de transitieperiode moeten omgaan met mogelijke kortingen of indexatie van pensioenen. Verder is er bij pensioenfondsen nog discussie over hoe precies moet worden omgegaan met de al opgebouwde pensioenrechten, het zogenaamde invaren. Daar speelt bijvoorbeeld de vraag of individuele deelnemers een instemmingsrecht krijgen. Er zijn dus nog wel wat losse eindjes.”

5. En nu? Hoe ziet het proces er voor verzekeraars verder uit?

“Het ministerie wil graag voor de zomer een aangepaste wettekst hebben, die vervolgens ter toetsing en advies aan onder andere de toezichthouders en de Belastingdienst wordt voorgelegd. Ook wordt gekeken of de wet niet in strijd is met bijvoorbeeld de gelijke behandelingswetgeving. Wij verwachten dat het voorstel dit najaar naar de Raad van State gaat, zodat de behandeling in de Tweede Kamer begin volgend jaar kan plaatsvinden. Voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen is het cruciaal dat het wetsvoorstel voor volgende zomer is vastgesteld door zowel de Tweede als Eerste Kamer. Zolang de regelgeving niet vaststaat, kunnen uitvoerders immers geen vastomlijnde beslissingen nemen. Dat is nodig om in de communicatie naar werkgevers zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen. Overigens worden daarvoor nu al wel de eerste stappen gezet. In samenwerking met de Stichting van de Arbeid werken we aan een transitiehandleiding, waarin we alle partijen die zijn betrokken bij de stelselwijziging uitleggen hoe het traject de komende jaren eruit zal zien om zodoende partijen te helpen met de transitie naar het nieuwe stelsel.”


Was dit artikel nuttig?